Pannenkoeken

Paniek in Polen, heette de aflevering van Andere Tijden welke ik zaterdag met toenemende geestdrift bekeek. Gewassen in mijn jeugd door het heilige water van de Moederkerk mag ik in de (sport-) realiteit graag Gods ironie zien. In elk geval werd inzichtelijk gemaakt dat diep in het sporthart een innerlijke noodzaak bruist. En dat Elfstedenkoorts van een slachtoffer zomaar een dader kan maken.

Rein Jonker was zo’n marathonschaatser die pas bij min tien vleugels kreeg. Liefde, dat was elke winter klaar zijn voor de tocht der tochten, ook al kwam die niet. Maar het vereiste wel een bepaalde dagindeling: ’s ochtends 150 kilometer fietsen, eten, ’s middags 30 kilometer hardlopen, eten, ’s avonds 2 uur schaatsen op kunstijs. En dat gecombineerd met een fulltime baan als chef-kok in een verzorgingstehuis. Rein Jonker kan nooit meer dan anderhalf uur per nacht geslapen hebben.

„Met een tas vol pannenkoeken” stapt Rein medio februari 1985 in een van de vier bussen vol schaatsgekken om ergens in het noorden van Polen een alternatieve Elfstedentocht te betwisten. Na een uitputtende, door Oost-Duitse en Poolse grensofficieren ernstig gefrustreerde reis – het IJzeren Gordijn droeg niet voor niets die naam – bereikt het gezelschap zijn bestemming. Onmiddellijke rampspoed. Er sijpelt door dat in Friesland de strenge vorst is teruggekeerd. Erger nog, it giet oan, definitief, bijna een kwart eeuw na Paping.

Ooggetuige en medeslachtoffer Janny van Zuilen beschrijft de emotionele impact van het bericht op de groep: van woede tot apathie tot collaps. Onbelicht in Andere Tijden blijft de algemene koortsaanjager van die dagen: dit keer worden er een paar miljonair!

Sommigen dwingen de chauffeurs tot een radicaal rechtsomkeert, maar die weigeren – contract is contract. Er wordt gevochten om de enige telefoonlijn van het hotel. De reisorganisator erkent ten slotte de ernst van het probleem. Een bus mag terug, wie mee wil, moet zijn plek opeisen.

Zowel Janny van Zuilen als Rein Jonker drukt zich uit in voorzichtige algemeenheden als het gaat om het innemen van de posities in de bus. „Ja, het was oorlog”, en, „het ging helemaal verkeerd”, en „we hadden het niet zo moeten doen”.

Het wordt een race tegen de klok. In de bus zit Janny zit schuin tegenover Rein. De kanshebber op de Elfstedentitel laadt zich vol. De pannenkoeken uit zijn tas haalt hij royaal door de honing in een tupperwarebakje. Alles wat Rein toegestopt krijgt, van kaas tot droge worst tot broodjes en sinaasappels, vreet hij op. Misselijk wordt ze ervan.

Na vier dagen onafgebroken reizen (Noord-Polen heen en weer) weet Rein Jonker als vijftiende te finishen op de Bonkevaart.

De Rein van nu is realistisch: „Ach, het was al verkeken toen we uit Polen vertrokken.” De rimpels onder zijn ogen zijn de droom nog lang niet voorbij.