Nederlandse gek tussen de Russen

IJsspeedwaycoureur Johnny Tuinstra miste vorig jaar het WK doordat hij leed aan de ziekte van Pfeiffer.

Dit jaar wil hij erbij zijn. „Ik word langzaam de oude.”

fotografie: Lars van den Brink Onderwerp: Johny Tuinstra, ijsspeedway

Of hij gek is? „Ja”, zegt hij. Johnny Tuinstra (40), sinds twaalf jaar ijsspeedwaycoureur, weet zelf ook wel dat hij de indruk maakt niet helemaal te sporen. Maar ja, de sport. Het is zijn grote passie.

Hij woont in Tzummarum, een dorp boven Franeker. Vanuit zijn woonkamer kijk je uit over de dijken die het land beschermen. Tuinstra heeft er weinig oog voor. Zijn hart gaat sneller kloppen bij de aanblik van zijn motorfietsen. Tuinstra kijkt er trots naar. De spikes in de banden zijn venijnig scherp, de motor geeft een krachtig geluid. De machines boezemen angst in. Met die motoren reist Tuinstra ongeveer 35.000 kilometer per jaar door Europa.

Moeiteloos dreunt hij de landen op die hij de komende weken zal aandoen. Oostenrijk, Zweden, terug naar Oostenrijk, Polen, Rusland, Duitsland en vervolgens is Tuinstra weer terug in Nederland, waar hij wordt opgewacht door vrouw en kinderen.

„Soms denk ik: wat ben je toch een egoïst, Johnny”, klinkt het schuldbewust aan de keukentafel. Vorig jaar had Tuinstra zijn twee kinderen een pakjesavond belooft met Kerst, omdat hij met Sinterklaas zo nodig moest trainen in het buitenland. Maar ja, met Kerst kon hij wedstrijden rijden in Zweden. Tuinstra hoefde niet na te denken.

„Ik leef voor mijn sport”, verklaart hij. „Mijn vrouw weet dat ook. Ze respecteert en steunt me. Topsporters zijn nu eenmaal egoïstisch. Dat hoort er een beetje bij. Denk je dat ik het leuk vind?” Tuinstra vierde Kerst in Zweden. Op Eerste Kerstdag lag hij te sleutelen, een dag later reed hij wedstrijden op een bevroren meer. Dat ging goed.

Tuinstra is al jarenlang een topper in het ijsspeedway, waarin motoren het met geprofileerde banden tegen elkaar opnemen op een soort schaatsbaan. Tussen het Russische geweld houdt Tuinstra zich knap staande. Hij is een van de weinige buitenlanders die meekan.

Dit seizoen hoopt Tuinstra zijn oude vorm weer op te pakken. Half maart komt het wereldkampioenschap naar Assen, waarvoor hij zich de komende weken hoopt te kwalificeren. Tuinstra twijfelt over zijn kansen, maar is optimistisch. Het vorige seizoen stond hij aan de kant met de ziekte van Pfeiffer. „Ik merk dat ik langzaam weer de oude word”, zegt hij. „Ik maak nog steeds wel kleine foutjes. Ik stuur niet goed in of geef te laat gas. Dat moet allemaal nog beter.”

Tuinstra weet nog goed dat hij voor het eerst een ijsspeedwaywedstrijd zag. Dat was in Assen. In eerste instantie kon het hem niet eens zo veel schelen, maar toen Tuinstra in Zweden later eens dwars door een sneeuwwal was gereden, was hij verkocht. Toen werd hij ijsspeedwaycoureur.

In Nederland kent niemand de sport, in Rusland worden er hele voetbalstadions gevuld als de waaghalzen het tegen elkaar opnemen. De Russen vinden het geweldig. „Het is daar echt professioneel”, weet Tuinstra. „Veel rijders hebben daar twee monteurs in dienst. Na een lang seizoen zeggen ze: ik ga nu lekker een maandje op vakantie. Ik kan dat niet. In de zomer moet ik hard werken als kraanmachinist om dit allemaal te kunnen betalen.” Een seizoen kost hem al gauw 35 duizend euro.

Maar het geluk dat de sport brengt, is onbetaalbaar, vindt de Fries. „Het begint als hobby, later merk je dat je er aanleg voor hebt en vervolgens gaat er een wereld voor je open.” Rusland is wat dat betreft een goed voorbeeld. „Vroeger was het een moeilijk, corrupt land. Niemand sprak er Engels of Duits. Als je in een restaurant bijvoorbeeld iets wilde bestellen, moest dat met gebaren.” Hij lacht. „Soms ging ik midden in het restaurant een kip nadoen, en dan moest ik maar afwachten of ze met een gebakken ei of met kippenvlees kwamen aanzetten.”

Tegenwoordig is Rusland een stuk toegankelijker. Tuinstra valt niettemin nog regelmatig in onvoorziene situaties. „Het blijft een apart land”, zegt hij. „Het land heeft heel mooie en trieste kanten. Het verschil tussen arm en rijk is ontzettend groot. Op het treinstation van Moskou liggen soms tientallen mensen laveloos op straat, terwijl het stevig vriest. Mensen zijn daar echt aan het overleven. De hele dag. Laatst kwam er iemand met een diepvrieskip aanzetten. Dan zijn ze daar hartstikke blij mee, want dan hebben ze weer wat te eten.”

Juist die ervaringen maken zijn leven zo mooi, vindt Tuinstra. Aan de vooravond van een nieuw avontuur zegt hij: „Rusland en Nederland zijn onvergelijkbaar. Ik leef eigenlijk in twee werelden.”