Jonge Turken

Ze hebben de schijn mee. Over veel Marokkaans-Nederlandse jongens wordt vaak negatief bericht. Maar met de meeste Turks-Nederlandse jongeren gaat het goed, is de algemene indruk. Die schijn lijkt vals. In een bezorgde brief vragen elf Turkse Nederlanders (negen mannen en twee vrouwen – ondernemers, ambtenaren en politici) aandacht voor hun observatie dat te veel Turks-Nederlandse jongeren niet floreren omdat ze zich buitengesloten voelen. Het aantal Turkse kinderen dat de school zonder diploma verlaat groeit. Eén op de vier jongeren is werkloos. Als ze wél met succes een opleiding afronden, dan lijken ze met hun Turkse naam kansloos op de arbeidsmarkt. Ze dreigen geïsoleerd te raken in een samenleving die hen hooguit duldt.

De ondertekenaars van de open brief zijn erop gebrand om hun zorg te delen met het Nederlandse bedrijfsleven en met de overheid. Ze dringen aan op investeringen in onderwijs en arbeidsklimaat. Dat is moedig, gezien het gebrek aan geduld met culturele minderheden waarmee Nederland vooral islamitische migranten tegemoet treedt. De nadruk ligt op zelfredzaamheid – en dat wordt, getuige de brief, de jonge Turken naar hun gevoel juist niet gegund. Een serieus politiek antwoord op deze vragen is geen overbodige luxe.

De briefschrijvers verwijzen ook naar de eigen kring. Ze noemen die „heel erg naar binnen gericht”. Die eigen kring is belangrijk. Ieder mens heeft er behoefte aan. Maar als de eigen kring de blik naar buiten dwarsboomt, dan wordt er gif gemengd.

In de open brief wordt kort verwezen naar dat gif. Naar het huiselijk geweld waarover niemand zich uitlaat. Naar de sociale controle die toeslaat zodra er een stap in de Nederlandse kring wordt gezet. Naar de reflex om iemand die voor een Nederlandse optie kiest tot de orde te roepen. Het gebrek aan aansprekende Turks-Nederlandse voorbeelden is er een gevolg van. En heeft iemand succes, dan zijn er niet zelden akelige repercussies, vooral als die iemand een vrouw is.

De briefschrijvers geven het goede voorbeeld: juist de Turkse Nederlanders zelf kunnen de Turkse jongeren steunen tegen zulke intimidatie. Zij moeten kiezen voor hun kinderen, vrienden en bekenden, niet de ‘holier than thou-houding’ van zeloten die hun eigenwaarde louter in de moskee halen.

En de jongeren kunnen, op hun beurt en beter dan de vorige generatie, de greep van Turkije loswrikken. Dat exporteert vooral via moskeeën religieuze en politieke maatstaven die suggereren dat zij elders thuishoren. Maar deze jongeren zijn geen migranten. Hun grootouders waren dat, of hun ouders. Zij zijn nu toch echt Nederlanders. Het is niet anders.