Wandelend door Peking

Wandelend door Peking, tien jaar nadat ik die stad heb verlaten, valt op hoe de versleten plekken van een onstuimig verleden langzaam oplossen in de opgewonden geldingsdrang van het heden.

Het is de laatste boom middenin de brede boulevard waar fietsers zich ooit klingelend langs moesten wringen om de muren van de nauwe steeg waar zij in stond niet te schampen.

Het zijn de oude gangen van de ondergrondse die dienst doen als tweedehands aansluiting naar hun blinkende opvolgers die de stad inmiddels naar álle uithoeken ontsluiten.

Het zijn de buikige stenen yoghurtpotjes met de papieren doorprikdekseltjes die de spot drijven met de voedselwetten van de smetvrije toekomst. En het is de rollende Peking-‘r’ in de woorden van verontwaardiging van de naar de marge gedrongen avondwandelaar, die, geloof het of niet, bij voorkeur in pyjama zijn rondes maakt.

En terwijl de cementwoede van de moderne tijd versmelt met een wereld zoals praktisch overal – hoog en eenvormig – blijven andere zaken hardnekkig zichzelf. De opmerkelijkste blijvers zijn misschien de Chinezen zelf.

Niets zo verraderlijke als de generalisatie, en ja de Chinese generatie Y ontwikkelt zich gestaag in een andere richting, maar voordat die haar bestemming heeft bereikt zijn er altijd nog de onwrikbaren die al stonden te popelen bij het vertrekpunt; de miljoenen Chinezen van de overgang, in hun nieuwe jas en glimmende schoenen, maar nooit helemaal in hun outfit gegroeid.

Ze wonen dan wel luxer, zijn gevoeliger voor wat in is, rijden zelfs in merken waarvan wij alleen maar durven dromen, boeken vakanties naar verre oorden, en zeggen ‘bye, bye’ na elk gesprek - innerlijk zijn ze nog als twee druppels water de mensen die ik tien jaar geleden achterliet.

Ook toen bestond de wereld uit goed en kwaad, ontbrak een diep vertrouwen en vierde het egoïsme hoogtij – ook al werd dat met een ondragelijke lichtheid gepresenteerd.

Inderdaad, het decor is vervangen, de hardware van toen is zo goed als opgeruimd, maar het mirakel heeft meer nodig. De geest wil ruimte, en beton maakt niet vrij.

Floris-Jan van Luyn