Politieke ideeën over strafklimaat komen uit ‘rechtshistorisch museum’

De Nederlandse politiek weet niet hoe ons strafklimaat zich verhoudt tot het buitenland. Ideeën over de hoogte van straffen “zijn blijven hangen in de jaren zeventig, die toch al geruime tijd in het rechtshistorisch museum zijn bijgezet”. Dit schrijf André Klip, hoogleraar strafrecht in Maastricht, in het blad Delikt en Delinkwent in een artikel over de kritiek op “slappe rechters” (DD 2010, 79).Het artikel is hier te lezen. Het bespreekt onder meer het voorstel in het regeerakkoord minimumstraffen in te voeren. En wel voor daders die binnen tien jaar opnieuw worden veroordeeld voor zeer ernstige misdrijven. Klip denkt overigens dat dit voorstel prima past binnen de strafpraktijk van de laatste tien jaar. Het lijkt hem hooguit een codificatie van wat er in de rechtszaal toch al gebeurt. Strafminima kunnen wat hem betreft ook best in het Nederlandse strafrecht passen.

De zogeheten ISD-maatregel die neerkomt op tenminste twee jaar cel voor veelplegers vindt hij al een soort minimumstraf . Ook de standaard transacties die verkeersdeelnemers betalen komen feitelijk neer op minimumstraffen. Of hogere strafminima op rechters ook zullen werken als een aansporing om in het algemeen hoger te straffen, lijkt Klip overigens niet waarschijnlijk. De praktijk is weerbarstig en ‘rechters doen uiteindelijk toch wat ze willen’. Uit buitenlands onderzoek blijkt bovendien dat rechters hun vrijheid bewaken door uitzonderingsmogelijkheden op strafminima ‘ruimhartig’ te  interpreteren.

Wie het strafklimaat met hogere minima echt strenger wil maken, zou ook de vrijheid van het openbaar ministerie moeten inperken. Bijvoorbeeld door het OM te verplichten delicten waarop een minimumstraf staat altijd te vervolgen. En niet ‘uit te wijken’ naar een andere delictsomschrijving die meer keuzevrijheid biedt, zowel in strafeis als vonnis.  ‘Strafminima’ alleen zijn geen oplossing. Waarbij Klip overigens niet denkt dat er een probleem is met een eventueel te tolerant strafklimaat. Het beeld dat in ‘de politiek’ en ‘de media’ bestaat van ‘slappe rechters’ is niet gebaseerd op feiten. En als er al kritiek op het strafklimaat moet zijn, dan dient zich dat ook op het openbaar ministerie te richten. De rechter pleegt in 93 procent van de gevallen immers de eis van de officier te volgen.

Verder gaan retorische vergelijkingen, zoals door het oud LPF Kamerlid, thans tv presentator Joost Eerdmans, met ´het buitenland´ meestal mank. Er worden doorgaans opgelegde straffen vergeleken - zonder dat wordt gekeken naar daadwerkelijk uitgezeten en dus effectief uitgevoerde straffen. In Nederland wordt tweederde of de gehele straf uitgezeten. In andere West-Europese landen ´kan dat moment veel vroeger liggen´. Daarom willen nogal wat Nederlanders die in het buitenland zijn gedetineerd niet dat hun vonnis en strafexecutie aan Nederland wordt overgedragen. Dat betekent nogal eens strafverlenging. De levenslange gevangenisstraf volgens Nederlands model is volgens hem zelfs uniek . ´Mij is buiten Nederland geen ander land bekend waar levenslang zitten tot de dood erop volgt betekent. In het buitenland heeft men toetsmomenten ingebouwd die tot een heroverweging van levenslang kunnen leiden´.

Klip laat zien dat in Nederland mensen die worden verdacht van een overtreding of misdrijf veel vaker in voorlopige hechtenis zitten dan elders. In andere landen mogen verdachten eerder hun vervolging thuis afwachten. Met als gevolg dat ‘veel gedetineerden in Nederland hun straf al hebben uitgezeten, voordat ze zijn veroordeeld’. En met als neveneffect dat Nederlandse verdachten die worden vrijgesproken financieel gecompenseerd moeten worden voor de tijd die ze ten onrechte zijn opgesloten. Klip baseert zich op dit onderzoek (blz 33, tabel 1.3). Volgens hem betaalt Nederland ´jaarlijks miljoenen´ aan onschuldig of te lang opgesloten burgers.

De ´strengheid´ van het strafklimaat hier is volgens hem vergelijkbaar met andere Europese landen. De strafbedreiging in de wet in Nederland ´vormt nauwelijks een onderscheidend criterium´. Alleen voor softdrugsdelicten heeft de Nederlandse wet lagere strafmaxima in petto. In hetzelfde onderzoek van de Raad van Europa is dat terug te vinden in tabel 8, 9, 10 en 11 op blad 59 tot 65.

Eerder werd op dit blog al geschreven over het relatief strenge strafklimaat in Nederland, in vergelijking met andere West-Europese landen. Rechtspraak-voorzitter Erik van den Emster relativeerde eerder hier de noodzaak om straffen verder te verhogen.

Wat vindt u? Hebben hogere strafminima zin?

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht. Volledige naamsvermelding.