Met subsidie schone energie gaat verbruik omhoog

Zonder beperking van CO2 gaat het niet. Daarom is een klimaatverdrag nodig. Wie alleen zon en wind stimuleert, vergroot het verbruik alleen maar, stelt Jeroen van den Bergh.

Voorstanders van subsidies voor schone energie treft men aan ter linker- en rechterzijde. Een veelgehoord geluid is dat we niet hoeven te rekenen op een effectief post-Kyotoklimaatverdrag. Zonder zo’n verdrag. zouden we ook snel tot grootschalige toepassing van schone energie kunnen komen en wel met stimulering van schone technieken.

Dit geeft echter een foutief signaal af. Technologie stimulerend beleid zoals Duitsland de afgelopen decennia heeft gevoerd, is geen substituut voor milieuregulering. Beide zijn nodig.

Als we de prijs van fossiele brandstoffen niet verhogen maar die van schone energie wel kunstmatig verlagen, zal het energiegebruik alleen maar worden gestimuleerd. De Duitse econoom Hans-Werner Sinn heeft gewezen op het risico van een zogenaamde ‘groene paradox’: dat een lagere prijs van schone energie een stimulans vormt voor versnelde uitputting van fossiele brandstofvoorraden met het risico dat de prijs daarvan daalt en de vraag toeneemt. De versnelde uitputting is het gevolg van marktconcurrentie en de dreiging van een hernieuwbaar alternatief, waardoor de waarde van olievoorraden in de bodem daalt.

Meer algemeen geldt dat indien de prijs van energie te laag wordt gehouden, energiebesparing minder effectief is omdat het leidt tot zogeheten ‘rebound’, zoals aankoop van zwaardere en snellere auto’s. Ter vermijding daarvan moet men niet alleen schone energie goedkoper maken maar vuile energie ook duurder. Er is dus geen gemakkelijke oplossing voor klimaatverandering zonder ‘economische pijn’.

Omgekeerd, milieuregulering alleen, dus zonder technologiebeleid, is ook onvoldoende, want dit zal alleen de keuze voor kosteneffectieve opties stimuleren, terwijl technologieën die op lange termijn beter presteren, het niet snel halen. Economische studies laten overigens zien dat we niet veel moeten verwachten van technologische innovatie op korte termijn. Dit komt door het trage proces van innovatie, van uitvinding tot grootschalige markttoepassing. De bulk van emissiereducties op middellange termijn moet komen van veranderingen in gedrag, gebruikmakend van reeds bestaande technologie.

Waarom maak ik me hier druk over? Omdat ik veel participanten in het milieudebat hoor zeggen dat een mondiaal klimaatverdrag er toch nooit zal komen en dat we ook zonder kunnen. En daarom kiezen voor vrijwillige oplossingen, of zelfs unilateraal milieubeleid door Nederland. Maar helaas leiden goede bedoelingen niet tot goede uitkomsten.

Soms wordt beweerd dat optimisme gerechtvaardigd is omdat historische energietransities ook zonder verdrag tot stand zijn gekomen. Maar daarbij wordt vergeten dat we nu omwille van klimaatrisico’s een ‘onlogische’ transitie nastreven, namelijk naar minder geconcentreerde en dus minder aantrekkelijke vormen van energie. Bovendien streven we een snelle transitie na om de klimaatverandering voor te zijn.

Zonder een klimaatbeleid ligt een onbedoelde overgang naar kolen in het verschiet. De huidige keus van de Nederlandse energiebedrijven om te investeren in kolencentrales is een voorbode hiervan. Ongewenst vanuit klimaatoogpunt, maar economisch gezien begrijpelijk. De prijzen van olie en gas gaan stijgen, terwijl hernieuwbare energie nog duur is. De optie kolen is een logische keuze. Dat wil zeggen, zolang er geen serieuze CO2-heffing wordt ingevoerd. En dat kan alleen via een internationaal klimaatverdrag worden ingevoerd, hoe moeilijk het ook is om dit tot stand te brengen.

Maar het huidige kabinet plaatst klimaatverandering niet op zijn prioriteitenlijstje. En onze kersverse minister-president is een analfabeet op klimaatterrein. Dus daar kunnen we helaas niet veel van verwachten.

Waarom is succes bij de onderhandelingen voor een post-Kyoto klimaatverdrag tot dusver uitgebleven? De belangrijkste reden lijkt mij het wijdverspreide idee dat klimaatbeleid extreem duur of zelfs rampzalig zal zijn voor onze economie. Er zijn echter verschillende redenen om te geloven dat de kosten wel zullen meevallen. Bijvoorbeeld de onderzoekskosten om zonnepanelen rendabel te maken worden geschat op 0,017 procent van het gezamenlijke bnp van alle OESO-landen, 1 procent van de kosten van de Irak-oorlog.

Nog twee laatste opmerkingen over energiesubsidies. Uiteraard is het mogelijk dat Duitsland een first mover advantage heeft met subsidies voor zonnepanelen. Leuk voor Duitsland, maar het garandeert geen oplossing voor het klimaatprobleem. Misschien was het subsidiegeld beter besteed aan internationale campagnes voor een klimaatverdrag.

Wat betreft subsidies is het van belang een onderscheid te maken tussen subsidies op onderzoek en op markttoepassingen. Studies laten zien dat onderzoek de kosten van hernieuwbare energie sneller terugbrengt dan opschaling in markten. Dit geldt voor zonnepanelen, maar ook voor windmolens.

Jeroen van den Bergh is ICREA-hoogleraar, Universitat Autònoma de Barcelona, Spanje en hoogleraar milieueconomie, Vrije Universiteit, Amsterdam.