In Wallonië kussen ze elkaar altijd één keer

Er is geprobeerd om een land te bouwen op een culturele grens, zegt Jacques De Decker, schrijver en secretaris van de Koninklijke Academie voor de Franse Taal- en Letterkunde in België. „De grens van de Latijnse en de Germaanse wereld.” In zo’n tweeslachtig land, zegt De Decker ook, heerst een logische behoefte aan duidelijkheid en ‘gevaarlijke zuiverheid’. „Dan kan het idee ontstaan dat het beter is om het land te laten ontploffen.”

Maar niks is duidelijk in België. Neem De Decker zelf: hij noemt zichzelf een Waal omdat hij in het Frans schrijft, met een Waalse vrouw is getrouwd en zijn kinderen en kleinkinderen zichzelf Franstalig zullen noemen. Maar zijn ouders waren Vlaming. „Er zijn Vlamingen die mij een verrader vinden.”

De Decker denkt dat bij de Vlamingen „het gevoel voor vergiffenis” is verdwenen – door de afstand die ze, veel later dan de Franstaligen, hebben genomen van de katholieke kerk. Vroeger dacht de Vlaming zo, zegt De Decker: er is mij iets aangedaan, ik heb mij onderdrukt gevoeld, maar ik ga mij niet wreken. „De Vlaming is nu cynischer en materialistischer. Daardoor is het makkelijker geworden om de mentaliteit van ‘Vlaanderen éérst’ te verspreiden. Wallonië is zich daar niet van bewust geweest.”

En toen kwam de verkiezingsoverwinning van de Vlaams-nationalisten van de N-VA, die willen dat Vlaanderen onafhankelijk wordt, in juni vorig jaar als een schok.

Gwen Grovonius (31), gemeenteraadslid voor de Franstalige socialisten in Namen en medewerker van de Waalse minister-president, zegt dat ze echt niet begrijpt waarom zoveel Vlamingen het economisch zwakke Wallonië niet willen helpen. Zelf is ze opgevoed met het idee dat je altijd solidair moet zijn met anderen. Zo denken ze in haar partij, zo denken haar vrienden.

Gwen Grovonius zal de Vlamingen ook niet snel gáán begrijpen. Ze kent er niet één. Ze leest geen Vlaamse kranten, ze kijkt niet naar Vlaamse televisiezenders.

Ook Jonathan Riguelle (22), uit het Waalse dorp Saint Servais, kent geen Vlamingen. Hij is ook nooit in een huis van een Vlaming geweest. Hij ziet wel elke dag Vlamingen in de trein naar Brussel, waar hij politicologie studeert. „Ze stappen in bij station Groenendaal (in de Vlaamse rand rond Brussel, red.) en gaan lezen. Wij praten ook met mensen die we niet kennen, Vlamingen doen dat niet.”

Nathalie Lefèvre (40), muziekdocent en klarinettist in Oxalys (hetzelfde kamermuziekensemble als de Vlaming Koenraad Hofman), zag in de jaren tachtig op een boerderij in Frankrijk een keer een Vlaamse familie die in hun vakantie de Vlaamse nationale feestdag aan het vieren waren, 11 juli. „Ze hadden stoofvlees, Vlaamse vlaggen, ze zongen de Vlaamse leeuw. Ik dacht: zo doen wij dat niet met onze Waalse haan.”

Haar twee dochters gaan naar een Vlaamse basisschool. „Ik heb hun nog niks verteld over of ze Vlaming zijn of Waal. We hebben laatst zitten zoeken op internet naar de Gulden Sporenslag op 11 juli, die feestdag. De slag van de Vlamingen tegen de Fransen. Ik heb gezegd: dat is onze nationale feestdag. En die van de Franse gemeenschap is op 27 september.” Dan wordt de strijd tegen Nederland herdacht, die de onafhankelijkheid van België mogelijk maakte.

Nathalie Lefèvre moest erg wennen aan de Vlaamse afstandelijkheid toen ze in het dorp Sint-Pieters-Leeuw kwam wonen. „Wij kussen elkaar één keer, maar altijd als we elkaar zien. Ook kinderen. Nederlandstaligen zijn daar niet aan gewend.”

In haar dorp hoorde ze een keer een echtpaar ‘deux bières’ bestellen – precies wat de Vlaamse inwoners zo irriteert. „Dat vind ik spijtig. Ook voor mezelf. Wij doen ons best om Nederlands te spreken.” Ze spreekt het goed, haar kinderen ook. Dan is het teleurstellend, zegt ze, als je in het gemeentehuis commentaar krijgt omdat een vaccinatiebewijs in het Frans is.

Nathalie Lefèvre stemde de afgelopen jaren altijd op een Vlaamse partij. Maar bij de laatste parlementsverkiezingen, net voor de zomer, koos ze voor een Franstalige partij, omdat de Vlaams-nationalisten van de N-VA zo hoog stonden in de opiniepeilingen. „Toen dacht ik: we moeten niet met ons laten doen.”