Hoekige tafels in de Hollandse consensusfabriek

Het is een mirakel. Kijk eens naar de vorm van de tafels. Niet rond. Niet ovaal. Strakke, hoekige tafels staan recht tegenover elkaar en recht op elkaar. Hoe heeft iemand hier in zestig jaar vergaderen ooit consensus kunnen bereiken?

In het jubileumboek voor de Sociaal-Economische Raad (1950-2010) staan foto’s van de grote vergaderzaal. Links zitten de vakbonden, rechts de werkgevers, in het midden de onafhankelijke experts (kroonleden). De plenaire vergaderingen in die zaal waren ‘oorverdovend saai’ herinnert Wim Kok zich uit zijn tijd als vice-voorzitter (1976-1985). De echte besluiten vallen elders. In de commissies van de SER, in de achterkamertjes. Dáár gebeurt het. Maar helaas. Geen foto’s.

„Daar waren duidelijke verschillen van mening en die konden hoog oplopen”, vertelt voormalig kroonlid en ex-minister Jacqueline Cramer. „Zo van: hier kunnen we echt niet mee akkoord gaan.”

Alexander Rinnooy Kan, de huidige SER-voorzitter, vertelt over het WAO-advies uit 1991. „Dat bittere gevecht tussen werkgevers en werknemers hebben we nooit meer zo heftig meegemaakt.” Nee, bij ons wordt nu veel gelachen, zegt de voorzitter.

Maar hoe lang nog? De volgende tien jaar zal de SER wel halen, maar daarna?

De SER is van 1950, de opbouwtijd na de Tweede Wereldoorlog. Het is de tijd van samen de schouders eronder, van nieuwe economische ordening en van het vertrouwen dat de belangen van werkgevers en vakbonden met elkaar te verzoenen zijn. In de Raad zitten de georganiseerde werkgevers, vakbonden en onafhankelijk leden, meest wetenschappers. Eerst vijftien elk, nu elf.

Oorspronkelijk moest de regering verplicht advies inwinnen bij de SER. Dat is in 1995 afgeschaft. De SER staat tevens aan de top van nieuwe economische ordening, de bedrijfsschappen. Deze gremia, zoals het Landbouwschap, worden bestuurd door werkgevers en vakbonden en kunnen regelend en verordenend optreden.

In het jubileumboek Zestig jaar denkwerk voor draagvlak komen de botsingen in de achterkamertjes tussen de belangen van werkgevers, vakbonden en kabinet primair aan de orde in interviews met hoofdrolspelers, zoals Kok, Rinnooy Kan en ex-minister-president Ruud Lubbers.

Het jubileumboek is degelijk, zoals de SER zelf. Het is het boek van de adviezen, van de consensus, niet van de conflicten en het achterkamertjeszweet van de rasonderhandelaars.

De doorwrochte analyses in de SER-adviezen worden alom geprezen. Het boek, geschreven door deskundigen en historici van de Universiteit Utrecht, laat zich lezen als de na-oorlogse sociaal-economische geschiedenis van Nederland. Het mist, onbegrijpelijk, een zaken- en namenregister.

Zestig jaar denkwerk voor draagvlak beziet en beoordeelt de SER als het enige instituut waarin de economische belangenbehartigers hun zegje doen. Maar de SER is maar één van de circuits voor sociaal-economische politiek, advisering en beïnvloeding. De wisselwerking met andere gremia, zoals de Stichting van de Arbeid, komt niet uit de verf.

De vraag is waar de invloed van de SER op is gebaseerd. Op de doorwrochtheid van de adviezen? Op de unanimiteit ervan? In elk geval niet op gelukkige timing. Het historische akkoord van Wassenaar (1982) over loonmatiging en arbeidstijdverkorting sloten werkgevers en vakbonden in hun ‘eigen’ Stichting van de Arbeid. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) tekende voor twee rapporten die de discussie deden kantelen: over industriebeleid (1980) en over arbeidsparticipatie (1990). Het pensioenakkoord van vorig jaar was weer in de Stichting van de Arbeid na mislukt overleg in de SER.

Per saldo is de invloed van de SER gebaseerd op de macht van het getal van de bonden en de daaruit voortvloeiende noodzaak voor de werkgevers om bij de les te blijven. De SER is evenals de omroeporganisaties, de politieke partijen en tot op zekere hoogte ook de kranten, een instituut uit de tijd van bloeiende grote ledenorganisaties. Nu hebben zij het moeilijk. De boeren ageerden tegen tegen het Landbouwschap, de economische ordening uit de SER-koker, en in 1963 won de Boerenpartij als anti-partij drie zetels in de Tweede Kamer. In 1967 stegen zij naar zeven. De erosie van de ‘volkspartijen’ in het politieke midden was begonnen. In elke polarisatieperiode is het voor de SER oppassen. Dat was in 1973 toen Bram Peper voorzag dat het na-oorlogse harmoniemodel zou verschuiven naar openlijk uitgevochten belangentegenstelling. Dat zag je in 2009 even toen het AOW-akkoord in de SER mislukte.

Het speelt nog steeds. Anti-elitepartij PVV is gedoogpartner van het kabinet. Het aantal werknemers dat lid van een vakbond (de organisatiegraad) is, stagneert al jaren. De SP wint aan invloed bij de FNV-bonden.

Wim van de Donk, ex-WRR-voorzitter en ex-concurrent in beleidsadviezen, vat het glijdend draagvlak het scherpst samen. Als ondernemers (einzelgängers pur sang) en vakbonden (stagnerende ledenaantallen) te ver van burgers en achterbannen komen te staan, ‘dan hebben we een probleem. Juist de SER – als consensusfabriek – kan dat niet hebben.’