Een brand flink laten uitbranden heeft ook nadelen

De brandweer laat branden vaak gecontroleerd uitbranden. In Moerdijk ontstond zo wel een cocktail van gevaarlijke stoffen in de lucht.

Je zou het een doctrine kunnen noemen. Sinds een aantal jaren gaan brandveiligheidseisen voor gebouwen ervan uit dat de taak van de overheid ligt bij het redden van personen uit een brandend gebouw. De brandweer handelt hier ook naar. De brandschade daarna is een verantwoordelijkheid van de gebouweigenaar.

„In het bijzonder bij grote branden betekent dat dat de brandweer veel gebouwen bij voorkeur flink door laat branden”, stelt Ira Helsloot, hoogleraar crisisbeheersing en fysieke veiligheid aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Belendende gebouwen worden nat gehouden, maar met het daadwerkelijke blussen wordt pas begonnen als de brand in kracht afneemt en de rookpluim niet meer tot grote hoogte opstuwt. Dat is ook het moment waarop omwonenden de meeste last krijgen van de rook. Het lijkt erop dat deze strategie vorige week in Moerdijk is gevolgd, zegt Helsloot. „Ook al moet dat nog goed worden onderzocht.”

Het voordeel van dat bewust laten branden is dat gevaarlijke stoffen, die doorgaans bij elke grote brand vrijkomen, niet deels onverbrand in de omgeving terechtkomen. Ook is gunstig dat brandweerlieden niet aan grote risico’s worden blootgesteld tijdens de felle hitte van de eerste uren van de brand. Maar het nadeel van deze methode is dat elke keer weer een enorme rookpluim ontstaat met stoffen die later hoe dan ook in de omgeving neerkomen. En dat laatste zit Ynso Suurenbroek dwars. „Zo’n brand als in Moerdijk is een milieuschandaal”, zegt de voormalig brandweerofficier. „Van de gifwolk die vorige week over Nederland trok, kan de hele Randstad een jaar in de file staan. Het complete milieubeleid van een jaar wordt door deze brand tenietgedaan.” Suurenbroek, lector brandveiligheid in de bouw aan de Saxion Hogeschool, heeft een adviesbureau en is buitengewoon lid van de Onderzoeksraad voor Veiligheid van Pieter van Vollenhoven. Hij is het niet eens met de doctrine om branden gecontroleerd te laten uitbranden. „De aanleg van wegen gaat niet door omdat het verkeer te veel fijnstof of roetdeeltjes uitstoot. Terwijl niemand zich lijkt druk te maken om de grote schade die rookpluimen veroorzaken. De ethische vraag is of wij willen toestaan dat elke keer opnieuw vele tonnen gif de lucht in worden geblazen, in een rookpluim waarin gebeurt wat op de grond aan strenge regels onderworpen is: het mengen van verschillende gevaarlijke stoffen. In een rookpluim reageren allerlei stoffen met elkaar in een onvoorspelbare cocktail.”

De brand in Moerdijk is „te laat” en ook met „te weinig” middelen bestreden, vindt Suurenbroek. „Dat ligt niet aan de brandweerlieden, het is helaas een soort gewoontebeleid geworden, uit armoe geboren. Als je ziet dat er twee crashtenders [grote blusvoertuigen, red.] van luchthavens elders zijn gehaald, dan weet je dat er onvoldoende middelen op het bedrijventerrein zelf beschikbaar waren. Als crashtenders bij dit soort voorspelbare branden zo effectief zijn, waarom staan ze dan niet in het aanvalsplan van de brandweer? En welke brand laat zich na een of twee uur ontwikkeltijd nog goed aanpakken? Deze branden zijn, naar de aard van de gebouwen, de soort opslag en de gevolgen, volslagen voorspelbaar.”

De brand had nooit zo groot mogen worden, meent Suurenbroek, want hoe groter de brand, des te meer gevaarlijke stoffen de lucht invliegen die daar ongecontroleerd met elkaar reageren en des te groter de milieuschade.

Moeten we in Nederland dan bij elk bedrijventerrein klaarstaan met een batterij brandweermannen? „We kunnen wel op elke hoek van de straat een brandweercompagnie opstellen, maar dat is geen realistische benadering, want het is onbetaalbaar”, zegt Helsloot.

Het vroegtijdig blussen van een brand wordt ook steeds moeilijker doordat de brandweer niet overal gemakkelijk bij kan. Het zou de voorkeur verdienen, zegt Suurenbroek, bedrijven in kleine, vrijstaande compartimenten te huisvesten die rondom zijn te benaderen bij brand. In de praktijk ontbreekt die ruimte in Nederland. Bedrijven staan relatief dicht op elkaar en worden geacht zelfredzaam te zijn. Dat wil zeggen dat ze moeten zijn uitgerust met bijvoorbeeld schuimblusinstallaties en sprinklers. Maar die hebben in dit geval gefaald. Helsloot: „Er is evident iets misgegaan.”

Het zou niet voor het eerst zijn dat fouten worden geconstateerd, zegt hij. „Bij de brand bij ATF in Drachten, tien jaar geleden, bleken de schuimblusinstallaties in de praktijk niet te voldoen. Misschien dat we hier ook zoiets vinden.”

Volgens Suurenbroek worden er regelmatig „trucs” uitgehaald met brandvoorschriften om gebouwen vooral maar zo goedkoop mogelijk te kunnen bouwen en inrichten. Met name wordt de zogenoemde vuurlast laag gehouden. Dat wil zeggen: wie aantoont dat een gebouw relatief weinig brandbaar materiaal bevat (inventaris, isolatiemateriaal, vloerbedekking, etcetera) hoeft minder brandwerende muren en brandisolerende materialen aan te brengen. Maar in de praktijk, zegt Suurenbroek, komt er in de loop der jaren in bedrijven steeds meer brandbaar materiaal bij. „En het is heel moeilijk om dat als brandweer steeds opnieuw te controleren.”