Compassie: breek met dierbare haatgevoelens

Onze medemenselijkheid staat onder druk als we ons bedreigd en bang voelen.

Haat en vooroordelen kan je met training overwinnen, schrijft Karen Armstrong.

Een man beent in grote passen op me af, zijn armen wijd. Voor ik me kan verweren omhelst hij me, joviaal maar discreet, alsof hij me niet het verkeerde idee wil geven. „Een geweldig nieuwjaar voor jou!” zegt hij terwijl hij me stralend aankijkt.

„Ja, jij ook”, murmel ik.

Achter hem staat een vrouw, aarzelend steekt ze een hand naar me uit, de man knuffelt ondertussen mijn vriend. De vrouw en ik houden elkaars hand vast en geven elkaar dan maar een onhandige zoen op de wang.

„Gelukkig nieuwjaar.”

„Hetzelfde.”

Het is een mooi ritueel dat wildvreemden elkaar spontaan het beste wensen rond de jaarwisseling. De vraag is tot in hoeverre het meer is dan dat: een ritueel. De optimist in mij zegt dat het een moment is waarop mensen uitdrukking geven aan hun diepste wens: dat iedereen gelukkig is. Mijn cynisch-misantropische ik schampert over de holheid van het gebruik.

Wensten we anderen echt het beste, dan zouden we ons de rest van het jaar wel anders gedragen. Dan zou een politieke partij die intolerantie en uitsluiting als speerpunten heeft niet zo groot zijn geworden. Dan zou niet een op de vier mensen een vriend verwaarlozen die dodelijk ziek is, zoals blijkt uit een onderzoek in opdracht van Sire.

En dan zou iemand niet schrijven dat ze huivert als ze ‘zo’n Mohammed Bouyeri-gewaad’ ziet wanneer ze reist met het openbaar vervoer, zoals Rosanne Hertzberger onlangs deed. Ze gaat dan in een andere coupé zitten, bij de volgende halte, zoveel rekening houdt ze dan weer wel met degene die ze ervan verdenkt een bomgordel te dragen.

Haar verklaring is dat haar onbewuste niet politiek correct is en mensen over één kam scheert. Een valide argument. Probleem is alleen dat ze bij volle bewustzijn zinnen optikt waarmee ze mensen onterecht diskwalificeert en zeer waarschijnlijk diep raakt. Dat getuigt van weinig compassie. Je kunt het eerlijkheid noemen, maar omdat haar motivatie voor dit gedrag niet verder strekt dan dat de wereld is veranderd en ze het daarom prettiger vindt, zitten in een coupé zonder moslims, is de vraag welk doel die eerlijkheid dient.

Het maakt wel meteen duidelijk wanneer onze medemenselijkheid onder druk komt te staan: als we ons bedreigd en dus bang voelen. Een ander goed voorbeeld is de zaak van de pedoseksueel Robert M. Hoeveel mensen zullen gevoelens van compassie op kunnen brengen voor een man die jonge kinderen heeft beschadigd, slachtoffers die niet alleen onschuldig maar ook volkomen weerloos zijn? Het is waarschijnlijk niet voor niets dat criminelen die vastzitten wegens misbruik van kinderen het laagste staan in gevangenishiërarchie. Zelfs de grootste slechterik acht zich nog moreel verheven boven een kindermisbruiker.

Natuurlijk zijn gevoelens van haat en woede begrijpelijk wanneer ons of onze geliefden iets wordt aangedaan. Ze fungeren als overlevingsmechanismen omdat het aanzet tot voeden, vechten, vluchten en voortplanten, schrijft religiehistorica Karen Armstrong in haar nieuwste boek Compassie. Deze basale emoties zijn gelegen in ons reptielenbrein en in de loop van duizenden jaren heeft de mens daar nog een nieuw stel hersenen bij gekregen, de neo-cortex. Die stelt ons in staat afstand te nemen, de wereld en onszelf te beschouwen en te reflecteren op onze primitieve emoties. De vier overlevingsmechanismen staan echter nog steeds aan de basis van al onze activiteiten, onze relativerende, wijze neo-cortex ten spijt.

Ook compassie blijkt gezeteld te zijn in het oude brein, het overlevingsmechanisme dat hieraan ten grondslag ligt is ouderlijke affectie: mensen zijn afhankelijker van liefde dan andere soorten. Moederliefde staat volgens Armstrong zelfs aan de basis van het vermogen tot onzelfzuchtig en onvoorwaardelijk altruïsme, alle activiteiten van een moeder zijn doordrongen van de zorg om haar kind.

Dat moederliefde bovendien verder reikt dan je eigen kind, merkte ik tijdens mijn eerste zwangerschap: opeens was ik doortrokken van het besef dat iedereen die ik zag geboren was. Een nogal onnozel inzicht misschien; toch zag de wereld er opeens anders uit toen ik zelfs de naar oude urine ruikende straatkrantverkoper met zijn verfomfaaide gelaat zag als iemands kind. Dit fenomeen wordt op een sardonische manier ingezet in een verhaal van Roald Dahl waarin een moeder bidt dat haar pasgeboren zoontje in leven blijft nadat haar drie eerdere kinderen zijn gestorven. Als lezer leef en hoop je met de vrouw mee, om tot de schokkende ontdekking te komen dat het mensje dat voor zijn leven vecht Adolf Hitler is.

Ook al is ieder mens behept met het vermogen tot compassie, dit vermogen moet actief ontwikkeld worden, zo stelt Armstrong. Volgens haar zijn we verslaafd aan ons egoïsme. We kunnen ons niet voorstellen te leven zonder onze dierbare haatgevoelens en vooroordelen, zonder de roes van de heilige verontwaardiging. We genieten van de extase die we ervaren als we een irritant persoon op zijn nummer zetten, of iemand slim de pas af snijden. Omdat we ons zo doen gelden.

Terug naar de topcrimineel die zich kwaad maakt over de misdaden van zijn kindermisbruikende collega-crimineel. Het is niet ondenkbaar dat de woede en verontwaardiging van zo iemand dienen om zich minder slecht te voelen over zijn eigen misdaden: 'gelukkig bestaan er nog slechtere mensen dan ik.’ Ook voor degenen onder ons die geen topcrimineel zijn, kan het verguizen van andermans slechte daden een manier zijn om ons een goed gevoel over onszelf te geven. Maar die slechte gewoonte kunnen we doorbreken door onszelf te trainen in compassie, aldus Armstrong.

Hoe je dat kunt bewerkstelligen zet ze in twaalf stappen uiteen. Een belangrijke stap is je kennis over je eigen traditie te vergroten om te kijken wat er over compassie gezegd wordt. Armstrong geeft zelf alvast een voorzetje door in vogelvlucht te schetsen hoe zowel in de oude Indiase en Chinese als in de joods-christelijke tradities compassie als de pijler van het mens-zijn werd beschouwd. Confucius, de Boeddha, Jezus Christus – allemaal propageerden ze de gulden regel: ‘Wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’

Een andere stap is om compassie voor jezelf te leren hebben. En erkennen dat je een donkere, slechte kant hebt en jezelf dat te vergeven, zonder daarbij je verantwoordelijkheid te willen ontlopen. Wanneer mensen furieus tekeer gaan tegen seksuele verdorvenheid of wreedheden, kan dat erop wijzen dat ze zich nooit met hun eigen hebbelijkheden hebben verzoend en menen dat alleen andere mensen slecht en walgelijk zijn, schrijft Armstrong.

Ook beschrijft ze een paar inzichten die aanzetten tot meer compassie. Zoals deze: vijandigheid ten aanzien van een ander (een groep of een persoon) vormt langzaam ons bewustzijn en onze identiteit. De mensen die we haten blijven ons achtervolgen. Met als gevolg dat de vijand onze tweelingbroer wordt: we gaan op hem lijken.

Een denkoefening om dit inzicht te toetsen. Wat gebeurt er met je als je je leven wijdt aan het haten van iemand als Robert M.? Je kunt aan niks anders meer denken dan aan wat hij heeft gedaan, raakt volkomen in de ban van zijn obsessies en zint op wraak. Je wilt hem hetzelfde aandoen doen als wat hij anderen heeft aangedaan, net zoals hijzelf deed – het schijnt dat hij als kind misbruikt is. Op die manier verwordt je haat tot je alter ego zodat je hem uiteindelijk alleen nog maar dood kunt wensen, en volgens een peiling van Maurice de Hond is dat precies wat veertig procent van de Nederlanders Robert M. gunt. Op diverse fora is te lezen dat de doodstraf nog te mild is; zo stelt ene Merida voor het ‘Monster van Riga’ levenslang op te sluiten en elke dag te laten verkrachten en af te laten tuigen. ‘Net dat-ie niet dood gaat.’

Medemenselijkheid tonen betekent niet dat iemand als Robert M. ongestraft moet blijven. Waar het Armstrong om gaat is dat je te allen tijde probeert een ander als mens te blijven zien, en niet te vervallen in reflexmatige verontwaardiging en veroordeling – dat is de veilige en makkelijke weg. Een compassievolle houding vergt veel meer van je intellectuele en emotionele vermogens: aandacht, concentratie, denkkracht, moed, eerlijkheid.

Ghandi zei dat vergevingsgezindheid een eigenschap van de sterken is, dat zwakken niet kunnen vergeven. Nu is dat makkelijk gezegd wanneer je vermogen tot compassie niet nadrukkelijk op de proef wordt gesteld. Mijn voorstellingsvermogen weigert dienst wanneer ik me probeer in te beelden dat iemand ook maar een pink naar mijn kinderen uitsteekt. Mijn reactie toen een vierjarig meisje mijn dochter van twee onlangs de speelhut op de crèche uitduwde, belooft weinig goeds.

Ik kan alleen maar hopen dat ik er nooit achter kom of ik sterk genoeg ben om mijn beest in toom te houden.

Compassie, Karen Armstrong, De Bezige Bij, € 19,90.