Boney M. even op podium bij uitvaart van Bobby Farrell

Wie kan het schelen dat hij niet zong? In de Amsterdamse Stadsschouwburg werd zaterdag à la Harry Mulisch afscheid genomen van Bobby Farrell.

Ruim vierhonderd familieleden, vrienden en fans kwamen zaterdagmiddag naar de herdenkingsbijeenkomst voor Bobby Farrell, de overleden danser van de discogroep Boney M. De grote zaal van de Stadsschouwburg in Amsterdam was zo goed als vol. Het moest net zoiets worden als de recente herdenking voor Harry Mulisch, hadden de organisatoren vooraf verklaard. Maar grote verschillen waren er ook.

De vrolijkheid overheerste, er werd vaak gelachen om de grappen van de sprekers, af en toe luidkeels meegezongen met de vele vocalisten en heel wat bezoekers waren, net als Farrell zelf, van Arubaanse afkomst. Of, zoals de Surinaamse komiek Jeffrey Spalburg op het podium zei: „Dit is voor de eerste keer dat er hier in de Stadsschouwburg zoveel zwarte mensen zijn. Daarom zijn er zoveel camera’s. En zo veel beveiligers.”

Farrell stierf op 30 december in een hotelkamer in Sint-Petersburg, waar hij de avond tevoren nog had opgetreden. Zijn overlijden werd daar ontdekt toen hij niet reageerde op de wekservice. Diezelfde dag zou hij doorreizen naar een tv-show in Italië. Zijn gloriejaren, in de jaren zeventig, waren allang voorbij.

In alle herdenkingsartikelen stond dat hij zelf nooit op de platen van Boney M. had gezongen; de diepe basstem was van de Duitse producer Frank Farian die de groep had gecreëerd – en er, als enige, rijk van werd. Tot twee keer toe werd zaterdag op het podium echter hartstochtelijk – en met grote bijval – geroepen dat het volstrekt irrelevant was wie de zanger was geweest: „What the fuck”, heette het in de woorden van tv-presentator Rotjoch – Bobby was een ster, of hij nu zong of niet.

Veel sprekers prezen vooral ’s mans hang naar grappenmakerij, die hem onder vrienden de bijnaam Paljasso opleverde. Algehele hilariteit wekte dan ook Farrells laatste voicemailboodschap die onaangekondigd werd afgedraaid. „Als je geld wilt”, luidden de eerste woorden – „don’t fokkin’ call me.” De rest van de tekst werd overstemd door het gelach van de zaal.

De drie oorspronkelijke zangeressen van de groep, voor het eerst sinds jaren weer bijeen, prezen hem als danser en als collega. Liz Mitchell, één van de drie, zei zich nog te herinneren hoe zij, als reborn christian, na een optreden gewoonlijk in haar kleedkamer in de Bijbel las, terwijl Bobby naast haar een jointje zat te roken. De andere twee hadden het op het podium over de vele blauwe plekken die ze opliepen als Farrell weer eens een onverwachte uitschieter maakte tijdens de hoekige dansbewegingen die hem beroemd maakten. Daarna stonden ze langdurig stil in een innige omhelzing. Menigeen hoopte dat ze ook nog iets zouden zingen, maar dat kwam er niet van. Wel werd er gezongen door andere generatiegenoten uit het discotijdperk: George McCrae (You are so beautiful) en de Gibson Brothers (Hey Jude).

Hoe trots de Arubaanse gemeenschap op de in Amsterdam-Zuidoost woonachtige Daddy Cool was, bleek uit de toespraak van Edwin Abath, gevolmachtigd minister van Aruba, die benadrukte dat Bobby officieel Roberto Alfonso heette. „Hij was allereerst Arubaans”, aldus de bewindsman – en daarmee een lichtend voorbeeld voor de 700 Arubaanse jongeren die jaarlijks het eiland verlaten om elders in de wereld succes te vinden: „Allemaal Bobby’s”. In de Arubaanse stad Sint Nicolaas zijn plannen voor een permanente tentoonstelling over de overledene, verklaarde Abath.

Farrells dochter Zanillya, die een belangrijke rol speelde bij de organisatie van dit eerbetoon, had het laatste woord. De vrolijke stemming was geheel in de geest van haar vader, zei ze, want hij had haar menigmaal gewaarschuwd niet te huilen op zijn fokkin’ grave. Later in de middag werd Farrell in kleine kring begraven op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied.