Blik in de schedel van een saaie generaal met paranoia

Weinig media in Servië doen verslag van de internationale zoektocht naar Ratko Mladic. Eén journalist heeft zijn dagboeken doorgespit.

Op dagen dat de hoofdaanklager van het Joegoslaviëtribunaal op bezoek is in Servië om te praten over de opsporing van Mladic, zijn de journaals het saaist. Er wordt gemeld dat Serge Brammertz is gearriveerd en welke ontmoetingen op zijn agenda staan. Er is een fotomoment van een vergadering met serieus kijkende mannen rond een tafel en aan het einde van de middag de uitsmijter in het radionieuws: „Brammertz vindt dat niet genoeg wordt gedaan om Mladic te vinden.” De tweede zin gaat meestal ongeveer zo: aanwijzingen duiden erop dat de ex-generaal zich in Servië bevindt, maar de mogelijkheid dat hij in het buitenland is wordt niet uitgesloten.

Het zijn berichten die de Serviërs en Servische journalisten al honderden keren hebben gehoord of gemaakt. Minder verrassend nieuws is nauwelijks denkbaar.

Er lijkt geen journalist in de regio te zijn die het tot zijn of haar persoonlijke missie heeft gemaakt Mladic te vinden en zijn netwerk te ontrafelen. Het nieuws komt grotendeels via de officiële kanalen. Behalve verveling speelt angst een rol. De Servische verhoudingen zijn voorspelbaar. Wie kritisch schrijft over de geheime diensten en bijvoorbeeld hun banden met de georganiseerde misdaad loopt kans op klappen.

Toen de regering eind oktober de beloning voor de tip die leidt tot de opsporing van Mladic vertienvoudigde tot 10 miljoen euro, zetten ultrarechtse groepen gelijk een (veel lagere) prijs op de naam van de tipgever die het zou wagen hun held te verraden.

Een uitzondering is weekblad Vreme, dat ook tijdens de oorlogen kritisch bleef schrijven en altijd veel pagina’s heeft uitgetrokken voor oorlogsmisdaden en -misdadigers. Vreme-journalist Dejan Anastasijevic heeft zich op de dagboeken van Mladic gestort. Die zijn vorig jaar gevonden en de afgelopen maanden merendeels openbaar gemaakt (zie inzet). In een serie van vijf artikelen vat hij samen hoe de oorlog in Bosnië en Kroatië er door de ogen van de hoofdverdachte van oorlogsmisdrijven uit zag.

Het is een ondankbare en tijdrovende taak. De teksten, 18 schriften vol handgeschreven cyrillisch, zijn droog en humorloos. Mladic schrijft afstandelijk, puntsgewijs, vaak zelfs over zichzelf in de derde persoon. Notities over zijn persoonlijk leven ontbreken. Als zijn dochter in 1994 zelfmoord pleegt schrijft de generaal een week lang niets.

Op een vrijdagmiddag zit Anastasijevic in een restaurant bij de redactie aan de vissoep met een aantal collega’s, grappige beroepscynici. Hij maakt een opgewekte indruk, maar zegt: „Het maakt me licht depressief dat ik hier zo alleen in sta. Ik begrijp het niet, maar tegelijk ook wel. De oorlog was 16 jaar geleden, voor de meeste journalisten dus inmiddels een oud verhaal. En het gaat om pijnlijke vragen.”

De duizenden pagina's gekriebel gaan voor een groot deel over logistiek. Het ontbrak de manschappen waarover Mladic de leiding had aan van alles, badges, brandstof, eten.

Anastasijevic versloeg de oorlogen in Kroatië, Bosnië en Kosovo voor Vreme en Time. Hij heeft Mladic destijds een keer of tien ontmoet, schat hij. Het lezen van de dagboeken brengt herinneringen terug. Verwarrend, zegt hij, want het is „alsof ik in zijn schedel zit”. Aan het begin zijn de observaties van Mladic droge samenvattingen van de ontmoetingen die hij heeft gehad. Hooguit plaatst hij af en toe een vraagteken in de kantlijn.

Dat verandert geleidelijk als hij naar Bosnië-Herzegovina wordt overgeplaatst, waar hij ook is geboren en waar zijn rol groeit. Naarmate de oorlog vordert waagt hij zich meer en meer aan bespiegelingen over geopolitiek. In zijn wereldbeeld werken de Kroaten en Duitsers aan de heroprichting van het Oostenrijk-Hongaarse rijk. Amerika is de vijand, Rusland de vriend. „Je ziet hem politieker en meer paranoïde worden.”

De dagboeken illustreren het verval van een officier uit het Joegoslavische leger, tijdens een oorlog die anderen begonnen. Van zijn land, zijn leger en zelfs zijn gezin blijft weinig heel. Misschien is het in die omstandigheden niet zo vreemd, schrijft Anastasijevic, „dat hij zichzelf eerst als Napoleon ging zien en later als de heerser over leven en dood (vooral dood)”.