Architect nam klant jaren niet serieus

Ontwerpers die zich niets van de gebruiker aantrekken, hebben de architectuur verziekt. Stap af van het dogmatische modernisme, bepleit Jan den Boer.

‘Een architect moet volgens zijn eigen opvatting bouwen, geen Zaanse huisjes omdat Wilders dat leuk vindt.” Dit was eind vorig jaar de uitsmijter van bouwkundemedewerker Jan Molema van de Technische Universiteit Delft bij zijn afscheid, dat werd gevierd met het debat ‘Het modernisme is de schuld van alles’.

Met de uitspraak over Zaanse huisjes is de tegenstelling tussen het elitaire modernisme en architectuur voor het volk scherp neergezet door onze architectuurelite, maar bestaat deze tegenstelling wel? Volgens mij heeft Wilders nog nooit dergelijke uitspraken gedaan over architectuur. Wat is het belang van modernisten om de traditionele architectuur in de hoek te duwen van het politieke populisme? Is het een poging om de macht te behouden over bouwend Nederland?

Dan zullen ze zich eerst wat beter moeten verdiepen in de architect op wie hun kritiek zich richt. Met ‘Zaanse huisjes’ verwijst Molema naar het Tulip Inn Hotel in Zaanstad, gerealiseerd door Wilfried van Winden. Dat is de schrijver van het boek Fusion, afgelopen najaar verschenen. Hij pleit voor een brede architectuuropvatting waarin alle vormen van architectuur een plaats krijgen, inclusief traditionele Nederlandse architectuur, modernisme en architectuur uit landen rond de Middellandse Zee, de herkomstlanden van veel nieuwe Nederlanders.

Daarmee heeft Van Winden een heel nieuw perspectief gecreëerd in de architectuurdiscussie. Fusion verwijst niet naar politiek populisme of politiek rechts, maar juist naar de open, internationalistische houding die vroeger werd geclaimd door modernisten. De modernisten in de architectuur worden juist in de armen gesloten door bijvoorbeeld Leefbaar Rotterdam, in het verzet tegen traditionele moskeeën met bijbehorende ornamenten en versieringen.

Het modernisme verliest in snel tempo aan invloed. Dat bevalt de modernisten niet, ook al geven ze toe dat de moderne architectuur zich nauwelijks nog ontwikkelt en dat de ziel is verdwenen uit het modernisme. Toch blijven architecten als Vera Yanovshtchinsky en voormalig Rijksbouwmeester Mels Crouwel vinden dat invloed van de gebruiker of de consument uit den boze is. Het geloof in het modernisme is bij hen springlevend.

Met deze opstelling voeren de modernisten een achterhoedegevecht. Het afgelopen jaar sprak ik, ter voorbereiding opeen boek, een groot aantal prominenten in de bouwwereld. Velen van hen hebben ingezien dat het modernisme een grote vergissing is geweest, vooral in steden. Niet alleen populisten of retroarchitecten zeggen het. Zo realiseert Kees Christiaanse, die ooit werkte bij Rem Koolhaas’ OMA, in Hamburg ‘Hafencity’. Hij kiest voor de opbouw van de klassieke, middeleeuwse stad en bouwt vervolgens wel in eigentijdse architectuur.

Pi de Bruijn maakte vergelijkbare keuzes in de wederopgebouwde wijk Roombeek in Enschede. Hij is in de jaren zestig opgeleid in het dogmatische modernisme aan de TU Delft en maakte zich daarvan los in de jaren tachtig, toen hij het nieuwe gebouw van de Tweede Kamer ontwierp. Daar handhaafde hij een deel van de oude bebouwing en creëerde hij een nieuwbouwgedeelte dat zich voegde in de oude stad. Dat werd hem door de critici niet in dank afgenomen – hij werd afgemaakt in de vakbladen en kreeg veel kritiek van collega’s. Van het publiek kreeg De Bruijn daarentegen veel bijval.

Dat publiek is niet het ‘volk’ dat alleen maar populistisch is. Het is een groot publiek, dat ook buiten het dogmatische modernisme gebouwen van zijn smaak aantreft. Volgens De Bruijn functioneert het modernisme in Nederland als een soort politbureau, dat iedereen oplegt om uitsluitend te bouwen volgens de inzichten van deze stroming. Jan Molema constateerde in Delft dat modernistische projecten in NRC Handelsblad geregeld slechte kritieken krijgen en vroeg zich af of dit dagblad niet een keer daarop kan worden aangesproken. Deden de politbureaus dit vroeger ook niet met journalistiek die hun onwelgevallig was?

Niet zozeer het modernisme als stijl is het probleem, maar de honger naar macht. Het idee dat de ontwerper autonoom is en zich niets van de gebruiker of de consument moet aantrekken, heeft de Nederlandse architectuur volgens veel critici verziekt.

Een van deze critici is organisatieadviseur en bouwdeskundige Lenny Vulperhorst. Hij stelt dat het oude businessmodel, van voor de crisis, nooit meer zal terugkeren in de bouw. Hij noemt dit model de ‘Blindeman’, omdat het blind is voor de gebruiker. Het nieuwe businessmodel noemt hij de ‘Coproducent’, het samen bouwen met de gebruiker.

Veel ontwikkelaars zetten hier zich nu sterk voor in. Het is mogelijk om tegen een redelijke prijs veel verschillende soorten woningen te bouwen, waarop de gebruiker veel invloed kan hebben. Dat leidt onder meer tot het spraakmakende project Le Medi in Rotterdam, een prachtig voorbeeld van Fusion, waar in overleg met gebruikers van diverse culturele achtergronden een eigentijds en toch ook mediterraan woningbouwproject werd gebouwd. Denk ook aan Francine Houben, de internationaal beroemde architect met gedurfde, avant-gardistische ontwerpen, die ervoor kiest om met haar bureau geen enkele stijl uit te sluiten en zich in te leven in haar klanten en gebruikers.

De stijldiscussie is achterhaald. De toekomst is aan klantgerichte architectuur die weer mooi mag zijn.

Jan den Boer is projectmanager bij de gemeente Utrecht en publicist. Hij studeerde stedenbouwkunde en filosofie.