Altijd het hoofd vol met zweet

Veel Surinamers vertrokken naar Nederland, maar nu gaan steeds meer Nederlanders naar Suriname.

De gemengde gevoelens over het land zijn gebleven.

Grootspraak over hun land is Surinamers niet vreemd. Tegenover buitenlandse gasten wordt op de veranda, vruchtensapje of rum-cola in de hand, al snel de lof gezongen van de ‘potentie’ en ‘rijkdom’ van het land, dat alleen nog maar ‘opgebouwd’ hoeft te worden om een ‘paradijs op aarde’ te worden. Waarom denk je anders dat iedereen – Hollanders, Amerikanen, Chinezen, Brazilianen – naar Suriname wil komen?

Soms lijkt het of Surinamers met die zelfoverschatting vooral het knagende besef proberen te onderdrukken dat ze, zoals de schrijver V.S. Naipaul het eens neerbuigend uitdrukte in een gesprek over zijn reisboeken, inwoners zijn van ‘een onbetekenend landje aan de rand van de grote wereld’. Een Caraïbische plantagestaat, gecreëerd door het kolonialisme en de slavenhandel, en daar nog steeds diep door getekend.

Dat een dergelijk deprimerend besef van de eigen kleinheid nooit ver weg is blijkt vaak al één rum-cola later, als na de lofzang de klaagzang begint: in Suriname lukt nooit wat, iedereen helpt alleen maar zijn vriendjes, de ambtenaren zijn lui, politici corrupt, en de creolen feesten alleen maar, de hindoestanen buiten het land uit, et cetera.

Zulke ambivalenties over het land zijn terug te vinden in de bundel Suriname en ik. Ruim vijftig auteurs – Surinamers en ‘Suriname-kenners’ – schreven korte, persoonlijke herinneringen aan het land op. Voor veel bekende Surinamers die aan de bundel meewerkten vormen 1980 (de militaire coup) en 1982 (de Decembermoorden) onuitwisbare momenten. Het radicaalst in zijn oordeel is de jurist Gerard Spong (‘Suriname: een ontgoocheling!’). Hij schaamt zich diep voor Suriname nu Bouterse er president is en noemt het land zelfs, met gevoel voor overdrijving, een tropische hel. Gloria Wekker fileert Bouterse in een schitterende analyse als representant van het big man-syndroom in een onmachtige samenleving. De ex-dictator, charmeur en multimiljonair is ‘een levend uithangbord voor het gegeven dat je verder komt met wakaman-gedrag [listig scharrelen] dan met een goede opleiding’. Aanhangers van ‘Bouta’ ontbreken goeddeels in de bundel.

Indrukwekkend is ook het stuk van Sandew Hira, die bij de moordpartij in 1982 zijn broer verloor. Zulke stukken maken duidelijk hoe diepgaand die misdaad de Surinaamse samenleving heeft beïnvloed. Pas dertig jaar later zijn er tekenen dat het land het trauma te boven aan het komen is – met als wrange uitkomst dat de hoofdverantwoordelijke het heeft geschopt tot president.

Enkele Hollandse ‘Suriname-kenners’ blijken intussen op het land uitgekeken. Een pareltje is het artikel van de antropoloog Bonno Thoden van Velzen, over zijn eerste ervaringen in het Surinaamse binnenland. En de politici? Ha, daar hebben we Jan Pronk, die nog maar eens uitlegt dat Suriname in 1975 ‘klaar was’ om onafhankelijk te worden. Het land heeft het sindsdien volgens hem beter gedaan dan een aantal andere dunbevolkte nieuwe staten.

Maar dan de journalisten. Hans Buddingh’, redacteur van NRC Handelsblad en auteur van Geschiedenis van Suriname, is na dertig jaar nog onvermoeibaar nieuwsgierig naar het land. Typischer lijkt John Jansen van Galen, die voor de Haagse Post talloze reportages over Suriname maakte maar het land nu, moe van het ‘eeuwige zweet op je hoofd’, als een oude jas van zich afgooit. Achteraf had zijn verknochtheid aan het land ‘iets onmiskenbaar koloniaals’, schrijft hij, ‘iets van koning zijn op een klein erf’. Al na één reis gold hij als ‘Suriname-deskundige’, een select gezelschap dat in de jaren negentig – toen de cameraploegen werden ingevlogen zodra het codewoord ‘Bouterse’ viel, liefst samen met ‘cocaïne’ of ‘coup’ – aanzwol tot een legioen.

Over zijn eigen politieke reflexen laat Jansen van Galen meer los in een ander openhartig stuk in de feestelijke gids Paramaribo Brasa!, een literaire reisgids. Daarin schrijft hij de milde reactie van Surinamers op ‘Holland’ destijds maar vreemd te hebben gevonden, als jonge linkse journalist: ‘Wat je wilde was haat, wat je kreeg was aanhankelijkheid’, biecht hij op. Hij hunkerde naar tiers-mondisme, maar werd geconfronteerd met foto’s van koningin Wilhelmina, trots aan de wand gespijkerd.

Achteraf is het een treurig, vaag komisch tafereel: progressieve Hollandse reporters, in hun zweterige tropenbroeken, die zich ergeren aan de lage haatindex van het Surinaamse nationalisme. Net als de coupplegers van 1980, zoals Van Galen terecht noteert: de jonge militairen waren behept met ‘evenveel wrevel en ergernis over het slome Suriname als Nederlanders’. Vaak hadden de soldaten trouwens in Nederland gestudeerd – het waren de hoogtijdagen van de revolutionair bevlogen sociale academie – dat hielp ook.

Jansen van Galen concludeert dat er inmiddels veel is veranderd. Steeds meer Nederlanders reizen de laatste jaren naar Suriname, niet om het nationale bewustzijn te helpen opschudden maar als ecotoeristen. Of gewoon om eens een gokje te wagen in de vele casino’s. En waar anders kun je in de bush een haveloze zuipkeet vinden met de leus ‘Gezelligheid kent geen tijd’ boven de ingang?

John Leerdam en Noraly Beyer (red.): Suriname en ik. Persoonlijke verhalen van bekende Surinamers over hun vaderland. Meulenhoff, 287 blz.€ 19,95

Ko van Geemert (red.): Paramaribo Brasa! Het Oog in ’t Zeil. Bas Lubberhuizen, 228 blz. € 22,50