Waarom Job Cohen een andere baan moet zoeken

Wanneer een minderheidskabinet dat zelfs met gedoogsteun over een meerderheid van één zetel beschikt, er niettemin in slaagt een stevig soort daadkracht uit te stralen; wanneer die onheldere gedoogpartij allerhande schandalen en schandaaltjes bijna achteloos pareert; wanneer de regeringscoalitie moeiteloos wegkomt met assertieve kromspraak (geen drieduizend agenten weg betekent dus eigenlijk drieduizend agenten erbij) en de nieuwe minister voor Immigratie en Asiel al zijn principes loochent en zichzelf vervolgens in alle media op de borst mag kloppen omdat hij tenminste „niet aan de zijlijn blijft staan” – wanneer dat allemaal het geval is, weet je dat je met een verdomd zwakke oppositie te maken hebt.

Welke oppositie? De PvdA gaat de Provinciale Statenverkiezingen in met de slogan: Het moet eerlijker. Ik weet niet welk reclamebureau daarachter zit, maar alles is er fout aan. Gepikeerde onmachtigheid, daar win je geen verkiezingen mee. De door Cohen aangekondigde protestdemonstratie in de Brakke Grond mislukte al voor deze had plaatsgevonden wegens gebrek aan elan. Als poging om het initiatief naar zich toe te trekken, was het te opzichtig, te krampachtig.

Dat zie je wel vaker bij de PvdA: een paar maanden geleden had Kamerlid Jeroen Dijsselbloem in het programma Buitenhof het ineens over „gemeenschapszin”; hij keek erbij alsof hij iets heel vies in zijn mond had. Daarvoor ging het binnen die partij tijdenlang over „een gevoel van verlies”, dat de autochtone wijkbewoners ineens gegund werd omdat zij de afgelopen dertig jaar hun buurt onherkenbaar hadden zien veranderen. Een van de eerste regels van de politiek is dat het in ieder geval moet lijken alsof je ergens in gelooft.

Het huidige kabinet straalt geen visie uit, maar wel daadkracht. Het maakt niet zo heel veel uit dat veel van die daadkracht niet meer dan politieke bravoure is; na acht jaar Jan Peter Balkenende is iedere heldere, verstaanbare zin een weldadige daad van bevestiging. Maar de wurggreep van de PVV verhindert een daadwerkelijk elan, een aansprekende visie op de plek van Nederland in een geglobaliseerde wereld. Dat was eens de inzet van Mark Rutte als leider van de VVD; het kwam tot uiting in het verkiezingsprogramma dat in 2006 tot stand kwam onder leiding van Ben Verwaayen. Iedere rechtgeaarde liberaal zal moeten erkennen dat van dat elan weinig is terug te vinden. Om de gedreven leider te kunnen uithangen, heeft Rutte zijn wereldbeeld opzij moeten schuiven. Zijn energieke leiderschap bevindt zich nu in het luchtledige – het is leiderschap om het leiderschap. Misschien dwingt de Hollandse tijdgeest het af, maar het moet geen prettig gevoel zijn om de geschiedenis van het liberalisme in te gaan als de man onder wie het rookverbod werd afgeschaft en het verbod op een handvol boerka’s ferm gehandhaafd.

Dat CDA en VVD zich zo gemakkelijk in de tang hebben laten nemen door een partij die een inktzwarte ideologie afwisselt met schamper politiek cabaret, roept ook binnen die partijen veel ongemak op: rechtse mensen die zich verzetten tegen de politiek correcte dogma’s van het naoorlogse humanisme, liggen nu in bed met mensen die het verlichtingsdenken zelf willen afschaffen. Dat is de gewetensnood op rechts – en als die er niet is, zou die er moeten zijn.

Kansen genoeg zou je zeggen – maar in de belangrijkste oppositiepartij blijft het angstwekkend stil. Als burgemeester van Amsterdam had Cohen een even simpel als aansprekend verhaal: we zitten met elkaar in hetzelfde schuitje, dus laten we er het beste van maken. Een grootse visie kun je dat niet noemen, je houdt de boel er min of meer mee bij elkaar, je helpt de boel er niet echt mee vooruit. Maar het bleek een effectief geluid te midden van het gekrakeel na de moord op Theo van Gogh. De aanvallen op hem gingen vaak alle perken te buiten – maar ze kregen geen vat op hem.

Maar sinds Cohen terugkeerde in de landelijke politiek is zijn toon defensief geworden. Er is veel commentaar geweest op zijn aarzelende optreden in de aanloop naar de verkiezingen, maar weinig op de sleetsheid van zijn argumenten tegen Wilders: het is weinig effectief om iemand ervan te beschuldigen dat hij mensen uitsluit, wanneer alle PVV-stemmers zichzelf buitengesloten voelen. Wilders kan binnen de PvdA kennelijk alleen gezien worden als een bedreiging, niet als een uitdaging. Van een stug volgehouden waardigheid in een sfeer van verbale agressie veranderde Cohens toon ineens naar een van beklemd slachtofferschap – van Gandhi naar Calimero.

Dat blijkt nu fataal – de weerbarstigheid van voorheen maakt ineens een onwereldse indruk. De lijn die zijn partij volgt lijkt dat beeld alleen maar te bevestigen: men valt terug in rode reflexen, er wordt krampachtig geprobeerd het antieke VARA-gevoel te reanimeren, het moet eerlijker. De discussie gaat ondertussen over wat Cohen nu werkelijk gezegd zou hebben over Joden en moslims in Vrij Nederland; zijn vijanden hebben daar een kwaadaardige karikatuur van gemaakt en Cohen wordt nu door publicisten verdedigd. Zij houden zijn woorden tegen het licht en stellen vast dat hij helemaal niet heeft gezegd dat moslims de nieuwe Joden zijn. Dat klopt – en trouwens, al die volautomatische verontwaardiging over vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog, het wijst alleen op een slecht geweten. Ik zou de PVV echt graag met de Boerenpartij vergelijken, maar alles aan die beweging ademt nu eenmaal de geest van de NSB, daar moet je niet kinderachtig in zijn (mijn collega-columnist Martin Bosma schijnt deze krant vaak genoeg NSB Handelsblatt te noemen, die kan vast wel tegen een stootje) – maar met die constatering heb je het probleem van de woede niet opgelost, de revolte niet bezworen. Daarom hebben die vergelijkingen geen zin. Ze zijn contraproductief.

Wat al die goedbedoelende publicisten kennelijk niet inzien is dat hun verdediging van Cohen een kiss of death is – een oppositieleider moet geen hulp van columnisten nodig hebben. Nog erger zijn de sussende stemmen die zeggen dat Cohen zich tot nu weinig krachtdadig heeft opgesteld, maar dat het nog te vroeg is om te oordelen – Bolkestein werkte zich immers ook struikelend door zijn eerste Algemene Beschouwingen. Dat is wensdenken.

Alles wijst erop dat het de grootste oppositiepartij van ons land aan denkkracht ontbreekt. Wanneer in een land minderheden onder vuur liggen, dan moeten die minderheden weerbaar en assertief worden; wanneer het sociaal-democratisch erfgoed bestookt wordt, moet je niet vluchten in onwerkelijke nostalgie en slachtofferdenken. Dat is de verkeerde afslag die Cohen en zijn partij hebben genomen – en daarom gaan ze de komende verkiezingen verliezen. Dat is niet de schuld van Geert Wilders, dat is niet de schuld van de gure wind die in Nederland waait, dat is te wijten aan een denkfout: de ijdele overtuiging dat wanneer je vindt dat je gelijk hebt, je het vanzelf ook wel zult krijgen.