Van december tot maart gaat de stad de diepvries in

A pedestrian walks past a Canadian flag during a winter storm that has dumped over 31 inches (80 centimeters) of snow in London, Ontario, Canada, Tuesday, Dec. 7, 2010. (AP Photo/The Canadian Press, Dave Chidley) AP

Kraakhelder is de lucht boven het Canadese Montreal, gezien vanaf Mont-Royal, de berg waaraan de stad haar naam dankt. In dikke parka’s trotseren stadsbewoners de ijskoude wind voor het uitzicht: de kantoorgebouwen die stoom uitstoten voor verwarming, de kille Saint-Lawrencerivier, de witte vlakten en besneeuwde heuvels aan de horizon. Het is groots en guur. Winter in Canada, bijgenaamd ‘het Grote Witte Noorden.’

Het is druk op de berg wegens het mooie winterweer. De stappen van wandelaars kraken op de gladde witte massa. Sommigen wagen zich van de paden op moderne sneeuwschoenen. Op het Lac aux castors wordt geschaatst. Kinderen sjezen op sleeën en banden joelend van een helling.

Strenge winters horen bij Canadese steden als Montreal, en winterpret is een manier om daar het beste van te maken. Want één ding is zeker: elk jaar van begin december tot eind maart gaat de stad, die ’s zomers bruist en warm is, onverbiddelijk de diepvries in. Er is geen ontkomen aan: de poolwind stokt je adem, doet je ogen tranen en bevriest je neusgaten. Je krijgt binnen een etmaal een halve meter sneeuw op je stoep gedumpt, en op je auto. En net als je dat enigszins hebt geruimd, komt er nog eens een pak bovenop. Gegarandeerd.

Geen winterverschijnsel is uitzonderlijk. Van strenge winterkou van min tien à min vijftien kijkt geen mens op. Gevoelstemperaturen van min 20 tot min 25 in de wind komen ook elke winter voor. Winterstormen waarbij 30, 40, 50 centimeter sneeuw valt, ijzel, stuifsneeuw en gure wind – het hoort er allemaal bij.

Canadezen mogen daar graag over klagen. „Cold out, eh?” is een gevleugelde uitspraak van oostelijk Newfoundland tot British Columbia aan de westkust. Ontberingen bij het ruimen van de voortuin, frustratie over een auto die vastzit in een sneeuwbank: iedereen kan erover meepraten.

Maar let op, en je merkt dat er iets speels zit in die klachten. Want stiekem zijn Canadezen ook trots op hun vermogen om de winterklappen te doorstaan. Canada zou Canada niet zijn zonder dat uithoudingsvermogen. In een enorm uitgestrekt land met een zeer diverse bevolking, dat soms lijdt aan een gebrek aan cohesie, is er één ding dat iedereen bindt: de winter, die je bestookt met ijs en sneeuw en onmenselijke temperaturen. Het is de gemeenschappelijke tegenstander die saamhorigheid schept.

De winter ontregelt het dagelijkse leven ook zelden wezenlijk. Canadezen zijn erop voorbereid, ertegen bewapend zelfs. Van dikke jassen, mutsen en stevige laarzen tot winterbanden. En zwaar geschut om het land begaanbaar te houden: sneeuwschuivers, gigantische sneeuwslurpers die opgehoopte sneeuw uit de straten zuigen en in vrachtwagens spuiten voor afvoer naar sneeuwstortplaatsen, strooiers die vette zoutkorrels rondsmijten – het is grof en smerig, maar het werkt.

In Montreal komen sneeuwruimploegen al tijdens een forse sneeuwbui in actie. Zelfs na een hele dag van vette vlokken kan de avondspits zich daarom nog stug door de stad ploegen. Langzamer, maar zeker. Treinen en bussen rijden door, en het moet raar lopen voordat een school of kantoor wordt gesloten of een evenement wordt afgezegd.

Ook dat is winter in Montreal. Eigenlijk is het gekkenwerk: welk redelijk mens ondergaat die koude douche elk jaar vrijwillig, wetend dat er warme alternatieven zijn? Een blik vanaf Mont-Royal biedt het antwoord: winter hoort bij dit land, net als de strijd tegen het water essentieel is voor Nederland. Dit land is winter, zoals de zanger Gilles Vigneault het formuleerde in de jaren zestig, in een onofficieel volkslied van Franstalig Québec: ‘Mon pays, ce n’est pas un pays, c’est l’hiver’.

Frank Kuin

Dit is de laatste aflevering van een serie van correspondenten over hun winter