Oliecrises verankerd in collectief geheugen

Nu de olieprijs richting de 100 dollar per vat gaat, groeit de vrees voor inflatie. Maar is dat wel terecht? Zo eenvoudig is het verband al lang niet meer.

Leidt een scherpe stijging van de olieprijs onherroepelijk tot een oplopende inflatie? In het westen hebben de oliecrises van 1973, 1979 en 1980 de samenhang tussen de een en de ander stevig verankerd in het collectieve geheugen.

Energie maakt een flink deel uit van de bestedingen, zodat een prijsstijging al snel opduikt in het algemene prijspeil. Maar zo automatisch als dat lijkt te gaan, is het in werkelijkheid niet. Er zijn grote verschillen tussen landen: in Europa bijvoorbeeld zijn er forse vaste accijnzen op brandstof, die kunnen oplopen tot meer dan de helft van de verkoopprijs. Daar komt nog btw – dus ook over de accijnzen – bovenop. Als de kosten van olie en benzine op de wereldmarkt stijgen, dan komen die soms maar voor een derde terug in de prijsstijging aan de pomp.

In de Verenigde Staten zijn de accijnzen aanzienlijk lager, waardoor een prijsstijging van olie directer doorwerkt in de prijs voor de consument. En in veel opkomende en ontwikkelingslanden worden brandstoffen juist zwaar gesubsidieerd. Prijsstijgingen komen daar aanvankelijk het hardst aan bij de staat, die meer moet toeleggen om de prijs voor consumenten gelijk te houden. In de eerste helft van 2008, toen de olieprijs razendsnel steeg naar een record van 147 dollar per vat in juli, leidde dat tot flinke begrotingsproblemen.

Nu komt de energieprijs uiteraard niet alleen terug in het directe verbruik door de consument. Zij werkt ook door in de prijzen van producten waarvoor energie als grondstof nodig is, en dat is zo’n beetje alles om ons heen. Maar dan nog is een prijsstijging in principe eenmalig. Als de olieprijs met dertig procent stijgt, maar vervolgens een jaar lang gelijk blijft, dan is het effect op de inflatie over een jaar tijd weer terug naar nul. Het gaat er om in hoeverre de prijsstijging zelf aanleiding geeft tot verdere prijsstijgingen. En dat ligt vooral aan de inflatieverwachting bij publiek en bedrijfsleven. Pas als deze verwachting zelf duidt op een hogere inflatie kan een spiraal ontstaan die moeilijk te stoppen is.

Dan is er het algemenere economische klimaat waarin een prijsstijging van olie zich voordoet. Westerse economieën hebben zojuist een zware recessie achter de rug, waardoor zij kampen met een flinke overcapaciteit in de industrie. Analisten van de zakenbank Goldman Sachs gaan er van uit dat de zogenoemde output gap, het verschil tussen de productie die de economie potentieel kan leveren en de productie die daadwerkelijk wordt geleverd, voor de Westerse landen rond de 6 procent is. Dit gebrek aan krapte kan er voor zorgen dat inflatie lang niet zo makkelijk voet aan de grond krijgt: het aanbod van goederen en diensten is potentieel veel groter dan de vraag. Deze output gap loopt ook slechts langzaam dicht. In de Verenigde Staten maken de autoriteiten zich, terecht of ten onrechte, nog steeds vooral zorgen over deflatie – het structureel dalen van de prijzen. Daar zal een beetje extra inflatie wellicht als welkom worden beschouwd.

Dat ligt in Azië anders. Daar draaien de economieën na de zijdelingse tik die zij van de kredietcrisis kregen al weer bijna op volle toeren. De output gap is daar al vrijwel dicht, en dat geeft inflatie sowieso al veel meer kans. China kwam twee weken geleden met het bericht dat de inflatie over december was opgelopen tot 5,1 procent, en dat is het hoogste cijfer sinds medio 2008. In zo’n omgeving kan een prijsstijging van olie zich veel makkelijker vastbijten in de economie, en leiden tot een structureel hogere inflatie.

Om de verhoudingen nog gecompliceerder te maken is er nog het niet altijd rechtstreekse verband tussen de prijs van olie en die van de producten die er van worden gemaakt. Een relatieve stijging of daling van de benzineprijs kan ook het gevolg zijn van capaciteitsproblemen of overschotten bij de raffinage en het vervoer. En de prijzen van olie en gas vertonen ook niet altijd dezelfde beweging. Energiemarkten koppelen zichzelf langzaam los van elkaar. En als olie inderdaad schaarser en eindiger is dan werd aangenomen, is dat misschien maar goed ook.