Nederland doet internationaal weer beetje mee

Bij een nieuwe operatie in Afghanistan worden geen militairen „offensief” ingezet. Maar ze mogen zichzelf wel verdedigen. De Kamer heeft veel vragen.

De hoogste baas van de NAVO, de Deen Anders Fogh Rasmussen, kreeg gisteren aan het eind van de middag een plezierig telefoontje van premier Rutte. Als het aan het kabinet ligt, gaat Nederland terug naar Afghanistan.

Niet als vechters, zoals de afgelopen jaren in Uruzgan, maar als politie-opleiders. Dat gebeurt wel voor een belangrijk deel ten behoeve van de door de NAVO geleide International Security Assistance Force (ISAF).

Dat laatste is wat telt in het in de internationale politiek zo omstreden vraagstuk Afghanistan: Nederland staat niet langer te boek als het enige westerse land dat zijn handen aftrekt van de bemoeienis met Afghanistan.

Het vorige centrum-linkse kabinet van Balkenende viel vorig jaar over de vraag ‘hoe-verder-in-Afghanistan’, waarop Nederland Uruzgan afgelopen zomer verliet. Het nieuwe centrum-rechtse kabinet denkt het antwoord te hebben gevonden met een nauw omschreven politie-opleidingsmissie.

Terug naar Afghanistan dus en daarmee terug – aldus de onuitgesproken hoop – als volwaardig speler in de internationale gemeenschap. Omdat, zoals het kabinet stelt, „versterking van de civiele politie en justitiële keten zal bijdragen aan de verbetering van het functioneren van de in opbouw zijnde Afghaanse rechtsstaat”.

Dat zal volgens het kabinet-Rutte leiden tot regionale stabiliteit en voorkomt radicalisme en terrorisme. Dat is uiteindelijk in het belang van Nederland, zo schrijven de vier meest betrokken bewindspersonen in hun gisteren naar het parlement gestuurde ‘artikel 100 brief’. Van belang voor het verkrijgen van voldoende politieke steun in de Tweede Kamer is dat de nieuwe operatie in Afghanistan in de woorden van Rutte „wezenlijk anders’’ is dan de vorige. „De missie heeft een strikt opleidings- en trainingskarakter. Geen van de onderdelen zal worden ingezet voor offensieve militaire activiteiten’’, aldus de premier gisteren na afloop van de ministerraad.

Zo staat het ook in de brief van het kabinet bij de beschrijving van de werkwijze van de zes Nederlandse trainingsteams: „Mocht de Afghaanse politie-eenheid waarbij Nederlandse begeleiders/trainers aanwezig zijn van de Afghaanse autoriteiten de opdracht krijgen tot enigerlei offensieve militaire activiteiten, dan zullen de Nederlanders hieraan niet deelnemen.”

Maar beschermen mogen zij zich wel. En dan is de vraag of uit zelfverdediging een offensieve actie met militairen is toegestaan. Over dit grijze gebied willen veel partijen in de Tweede Kamer meer duidelijkheid alvorens akkoord te gaan. Ook willen partijen met het Srebrenica-trauma uit 1995 nog in het achterhoofd, weten hoe Nederlandse militairen in nood van anderen hulp kunnen krijgen.

De echte bescherming moet geleverd worden door de Duitsers in het noordelijk gelegen Kunduz, waar een groot deel van de Nederlanders zal worden ondergebracht. Hierover zijn met de Duitsers „grondige afspraken” gemaakt, schrijft het kabinet.

Maar in een in staat van oorlog verkerend land als Afghanistan is niet alles met afspraken te ondervangen. Niet voor niets schrijft het kabinet dat de missie gepaard gaat met reële risico’s voor het Nederlandse personeel.