'Je presteert het best als je afgaat op je gevoel'

De schaatscarrière van Gianni Romme ging in 2006 geruisloos over in een trainersbestaan. Na succes met Anni Friesinger is hij de komende vier jaar coach van Enrico Fabris en de Italianen. „Schaatsen leeft hier totaal niet.”

Bang voor opdringerige paparazzi hoeft Gianni Romme niet te zijn. Als de bondscoach van de Italiaanse schaatsers in zijn felblauwe trainingspak binnenstapt in het café op het stationnetje van Collabo, vallen er bepaald geen gesprekken stil onder de bezoekers. In het ‘schaatsmekka’ van Italië, hoog boven Bolzano, wordt olympisch kampioen Enrico Fabris al niet herkend, laat staan diens coach. „Schaatsen leeft hier totaal niet, maar dit is een mooi land met een mooie sportcultuur”, zegt Romme (37). „Ik was zelf een topper, dus ik wil met een topper werken. Dat kan hier, met Enrico. Dat is mijn uitdaging.”

De overgang was groot toen de olympisch kampioen van Nagano (1998) na de Spelen van Vancouver (2010) overstapte als coach van Anni Friesinger naar Italië. Als hij aandacht wil van de Italiaanse media, moet hij zelf een journalist bellen. Friesinger was nieuws in Duitsland. „Ze kwamen vooral voor de gossip. Bladen als Bild willen iets zien van Anni.” Hij was vier jaar geleden nog maar net in dienst van Friesinger toen hij er hardhandig mee kennismaakte. „Bij één van haar eerste wedstrijden onder mijn leiding was ik zo blij met haar race dat ik haar beetpakte en een kus op de wang gaf. Maar ze hadden dus foto’s gemaakt. En op één daarvan leek het net of ik haar vol op de mond pakte.” Friesinger kreeg kort daarop telefoon: of ze een relatie had met haar trainer, nota bene een maatje van haar vriend – inmiddels echtgenoot – Ids Postma. „Ze zeiden: als je dat nou toegeeft, ben je binnen vier dagen over de shit heen. Ze moest er om lachen. Maar ik ben wel voorzichtiger geworden. Ik heb haar nooit meer gekust op het ijs.”

Hij rolde bijna geruisloos in het coachvak, kort nadat hij in 2006 plotseling was gestopt met schaatsen. Romme was door Postma getipt dat diens vriendin zonder coach zat. Rond de kopvrouw ontstond als vanzelf een nieuwe trainingsgroep. En met succes: Romme leidde haar naar haar eerste sprintwereldtitel. Hij kijkt vol bewondering terug op de loopbaan van de Duitse, in Thialf vaak populairder dan haar Nederlandse rivalen. „Ze was een icoon. Ze is zo populair door wat ze is: open en vrolijk. En ze heeft de looks, charisma. Natuurlijk is ze zich daarvan bewust, maar ze gebruikt het op een normale manier. Ze doet geen act. Maar het werkt niet als je niet presteert.”

Aanvankelijk was Romme bezorgd over Friesingers optredens in de Duitse media, de soms uitdagende fotoreportages, de aandacht die ze opeiste. „Ik dacht dat het energie uit haar zou trekken, maar ze ging alleen maar harder rijden.” Vooral Friesingers gedrevenheid verraste Romme. „Ook al was ze dertig, ze wilde alles winnen. Maar haar lichaam gaf het op. Het laatste jaar was echt een drama. We zijn een keer van Collalbo naar een arts in München gereden, een hele goeie, Volker Smasal. Zij ligt daar op de bank, hij jast een naald in haar knie om het vocht eruit te halen. Zonder verdoving. Net een slager. Man, ze is een harde.”

Beiden hoopten op beterschap. „Ze kon makkelijk winnen. Het vrouwenschaatsen is de afgelopen jaren geen zak vooruit gegaan. Ik heb met veel vrouwen gesproken, maar ik heb echt geen idee hoe dat komt. Anni reed tien jaar geleden al 1.15 op de 1.000 meter. Dat wordt nog steeds gereden. Ireen Wüst had een heel hoog niveau in 2007, toen Anni tweede werd. Maar zij is ook weer weggezakt.”

Afgelopen zomer was het ineens afgelopen met Friesinger. Haar gedroomde afscheid in maart, de WK afstanden in haar ‘eigen’ Inzell, was haar niet meer gegund. „Natuurlijk is dit een dramatisch einde. Je probeert het te regisseren, maar dat gaat niet altijd in de sport. Marco van Basten had ook een lange carrière willen hebben. Ik had misschien ook anderhalf jaar eerder moeten stoppen.”

Schaatsers zijn te zeer gewend altijd maar door te gaan, denkt Romme. Sven Kramers afwezigheid toont dat volgens hem aan. „Wat er is gebeurd met hem vind ik niet zo gek. Met zo’n mentaliteit, zo’n wil om alles te winnen, word je helemaal leeg getrokken. De druk op hem was ongekend.” Direct na de Spelen zocht Romme Kramer op, in Vancouver nog. „Ik was op zoek naar een nieuwe werkgever en wilde graag met een topper werken. Het was een heel open gesprek. Ik zei: kijk maar wat je gaat doen, bel maar als je me nodig hebt. Lang daarna belde hij op, vanuit de Bahama’s ofzo. Ik was al aan de slag in Italië. Jammer? Nee, Italië is ook een mooie uitdaging. Natuurlijk is Nederland het mooiste om te werken, maar de baantjes liggen niet voor het oprapen.”

Romme zat zelf in een vergelijkbare situatie als Kramer, nadat hij in Nagano (1998) twee gouden medailles had behaald. „Het probleem is dat je elk jaar weer een EK en WK allround hebt, en de WK afstanden. Zwemmers hebben eens in de twee jaar een WK. Pieter van den Hoogenband deed het ook wel eens een jaar rustig aan. Het slaat nergens op wat wij doen. Ik had na ‘Nagano’ ook een jaar moeten uitrusten. Maar ik had het lef niet. Ik ging van de kernploeg naar een commerciële ploeg, met een sponsor die wat verwachtte. In 2003 had ik na mijn wereldtitel in Gotenburg ook moeten zeggen: het is mooi geweest. Maar wat deed ik? Doormodderen, nog even naar de WK afstanden. Fysiek kon dat wel, maar in mijn hoofd was ik op.” De sportwereld zou volgens hem moeten accepteren dat toppers af en toe rust nemen. „Het was volkomen normaal geweest als Sven had gezegd: ik ben leeg, ik ga een jaar bijtanken. Jeremy Wotherspoon was na een jaar rust beter dan ooit.”

In Italië hoopte Romme met kopman Fabris direct mee te doen om de prijzen. Hij verbaasde zich over de kracht van de Italiaan. „Hij is ongelooflijk sterk, heeft een veel groter herstelvermogen dan ik had. Dat wist ik, maar hij was nog sterker dan ik had verwacht.” Maar tot nu toe vallen de prestaties „een beetje tegen”, zegt Romme. De Italiaan reed een zwak olympisch toernooi, mede doordat de verwachtingen hoog waren, na zijn succes in Turijn (2006). „Hij kan de druk niet altijd aan. Ik heb in hetzelfde schuitje gezeten. Als je al wat ouder wordt ga je je afvragen of je wel blijft presteren. Ik kon niet verkroppen dat ik fysiek goed was, maar niet goed kon schaatsen. Ik ben heel druk bezig geweest met begeleiders en psychologen. Maar ik heb geleerd dat je niet te veel moet willen sturen. Ik was een type met ups en downs, maar werd steeds meer een grijze muis. Ik dacht te veel. Je presteert het best als je op gevoel afgaat. Dat ik slechte periodes had, hoorde bij mij.”

De coach Romme wil zijn rijders laten profiteren van de kennis die hij vergaarde bij zijn eigen leermeesters, niet de minsten: Henk Gemser, Peter Mueller en Jac Orie. „Toen ik nog schaatste keek ik altijd hoe trainers met andere schaatsers werkten. Hoe Orie werkte aan de start van Wennemars. Ik pik het beste eruit. Gemser was een echte docent die heel goed uitlegde waarom je iets moest doen. Mueller was een motivator, kon een geweldige peptalk geven als de groep stuk zat. Hij gaf je het gevoel dat je met iets speciaals bezig was. Orie is een wetenschapper, heel slim. Hij durft te veranderen. Je moet nooit denken dat je een trainingsprogramma even kan kopiëren als je succes hebt gehad. Dat heb ik zelf ondervonden. Na 1998 dacht ik: ik doe even hetzelfde. Ging helemaal fout. Een sporter verandert, de omgeving ook.”

Op het ijsbaantje van Collalbo lijkt de oermens Romme zo mee te kunnen rijden als hij even aanzet in de schemering. Håvard Bøkko vroeg zich onlangs af of Romme een comeback plande toen hij in Hamar tijdens een training achter hem aanreed. „Ik rijd alleen mee als er niet te veel mensen op de baan zijn. Ik wil niet zo’n trainertje zijn dat het nog zo graag laat zien. Temporondjes lukt niet meer, een paar rondjes van 33 wel. Ik doe het ook bij mijn eigen schaatsers. Het heeft een functie: ik kroop vlak achter Bøkko, zodat ik van heel dichtbij kan zien hoe hij rijdt, hoe hij afzet, hoe hij zijn heupen houdt. Natuurlijk leer je daarvan. Maar een vijf kilometer rijden? Nee, dat gaat niet meer. Dat wil ik ook helemaal niet.”