Ingevlogen kinderen

Ruim honderd adoptiekinderen arriveerden opeens in Nederland, na de aardbeving in Haïti, nu een jaar geleden. Een terugblik op emotionele dagen. En hoe gaat het nu met de kinderen?

Na een procedure van vierenhalf jaar krijgt Petra Ouendag de eerste foto te zien van Jessica, een Haïtiaans meisje van vijftien maanden dat haar dochter wordt. „Toen ik haar prachtige gezichtje zag, voelde het alsof ik op slag verliefd was.”

Petra ontvangt de foto per e-mail op 11 januari 2010: het eerste bewijs dat alle voorlichtingscursussen, intakegesprekken, informatieverzoeken en formele aanvragen niet voor niets zijn geweest.

„Ik was dolblij, bijna euforisch, maar tegelijk onzeker. Ik probeerde me voor te stellen hoe het zou zijn als Jessica over anderhalf jaar bij mij zou komen. Een dag later heb ik met vrienden en familie de champagne ontkurkt.”

Het feestelijke gevoel duurt niet lang. „Met de aardbeving stortte de volgende ochtend ook mijn wereld in. Ik wist niet waar ik het zoeken moest. Het was me niet duidelijk waar Jessica precies woonde. Ik had geen idee of ze nog leefde. Ik ben nog nooit zo tussen hoop en vrees heen en weer geslingerd.”

De aardbeving die Haïti trof op dinsdagmiddag 12 januari vorig jaar kostte 200.000 mensen het leven. Het natuurgeweld vernielde de hoofdstad Port-au-Prince en gebieden ten zuiden daarvan.

Op de ochtend van de dertiende januari gaat om kwart voor zeven de telefoon in de Groningse nieuwbouwwoning van Michiel en Monica Kerstens. „Mijn zus uit Zweden belde. Ze zei: Haïti is getroffen door een aardbeving”, vertelt Monica. „Michiel en ik vlogen naar de computer. Hoe zou het zijn met onze Naldo?”

Het Haïtiaanse jongetje Naldo, twee jaar, woont nog in een kindertehuis bij Port-au-Prince. Michiel en Monica hadden hem daar in november 2009 ontmoet. Bij de lokale adoptierechter moesten ze zelf papieren komen tekenen. Ze vonden het geweldig hun zoontje alvast te leren kennen. Maar na drie dagen moesten ze weer afscheid van hem nemen. Naldo’s komst naar Nederland zou nog zeker een jaar duren.

Op deze woensdagochtend vrezen Michiel en Monica voor het leven van Naldo. Ook 69 andere Nederlandse gezinnen verkeren in grote onzekerheid over het lot van de kinderen die al aan hen zijn toegewezen maar nog niet in Nederland zijn.

„Ik realiseerde me meteen dat de chaos door de aardbeving niet te overzien zou zijn”, vertelt Macky Hupkes, directeur van de Nederlandse Adoptie Stichting (NAS). „Van eerdere bezoeken aan Haïti ken ik de armoede en slechte organisatie in het land.” Macky en haar man, Arnold Schouten, zelf adoptieouders van twee kinderen uit Guatemala, vormen samen de directie van de NAS.

De drie kindertehuizen waar de Haïtiaanse adoptiekinderen op dat moment wonen, bevinden zich dicht bij het epicentrum van de aardbeving. De tehuizen Bresma-1 en Bresma-2 liggen beide in een van de ergst getroffen wijken van Port-au-Prince. Kindertehuis God’s Littlest Angels (GLA), opgezet door een Amerikaans echtpaar, ligt 25 kilometer ten zuidoosten van de hoofdstad.

Arnold Schouten: „Onze eerste zorg ging natuurlijk uit naar de kinderen die wij kennen in Haïti. Daarnaast waren we bezorgd over een ouderpaar dat juist naar Haïti was afgereisd om papieren te tekenen.”

De website van kindertehuis GLA blijkt die woensdagochtend nog in de lucht te zijn. De beheerders hebben zelfs al kans gezien een bericht te plaatsen over de actuele situatie: ‘The kids are OK.’ Macky Hupkes slaakt opnieuw een zucht van verlichting als ze het een jaar later vertelt.

De NAS neemt het bericht over op haar eigen website en opent direct de telefoonlijn die normaal gesproken eenmaal per week voor een spreekuur bereikbaar is. „We wilden alle ouders op de hoogte houden, al wisten we over de andere twee huizen de eerste uren niets”, zegt Hupkes. ’s Middags blijkt dat Bresma-2 half is ingestort. In dit huis woonden de grotere kinderen, van vier jaar en ouder. Zij worden geëvacueerd naar de andere locatie van het tehuis, Bresma-1. De kinderen moeten een tocht afleggen langs ingestorte gebouwen en zien vreselijke taferelen.

Ter plaatse omgekomen

Pas ’s avonds laat kan de NAS alle aanstaande adoptieouders melden dat de kinderen van beide kindertehuizen in leven zijn. Ook het ouderpaar over wie bezorgdheid bestond, is veilig. Twee andere Nederlandse ouderparen en hun adoptiekinderen, voor wie de vereniging Wereldkinderen had bemiddeld, zijn ter plaatse omgekomen.

Angst, opluchting en verdriet volgen elkaar in hoog tempo op bij de betrokkenen in Nederland. De zorgen over de gezondheid en veiligheid van de kinderen in de tehuizen nemen die dag snel toe. De beheerders van het huis God’s Littlest Angels geven aan dat ze maar voor drie dagen over voedsel en drinkwater beschikken. Met Bresma-1, het andere huis, is moeilijk contact te krijgen. Onder normale omstandigheden is daar maar een beperkte voorraad water voorhanden.

Macky: „Ik heb de hele nacht wakker gelegen. Toen ik donderdagochtend naar kantoor fietste, kwam als een blikseminslag het waanzinnige idee in me op de kinderen te gaan halen. Ik dacht: als we niet ingrijpen, lukt het misschien nooit meer de kinderen naar Nederland te krijgen.”

Direct bellen de mensen van de NAS hun hele netwerk af om hulp te vragen voor dit idee, inclusief het ministerie van Justitie. Daar begrijpt men de wens, maar er bestaan twijfels over de haalbaarheid van het evacuatieplan.

In de vroege ochtend van vrijdag 15 januari rijden Hupkes en Schouten gespannen naar Den Haag om op het ministerie van Justitie in Den Haag te praten over de mogelijkheid de kinderen zo snel mogelijk naar Nederland te halen. Onderweg belt Hupkes een partner uit de reisbranche. Ze vraagt of hij een vliegtuig kan charteren.

Bij Justitie volgt een gesprek waarbij ook medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, het ministerie van Buitenlandse Zaken en van de vereniging Wereldkinderen aanwezig zijn. „De zaken lagen gecompliceerd”, blikt Schouten terug. „Een deel van de kinderen was nog helemaal niet aan specifieke ouders toegekend. Andere ouders en kinderen hadden al wel contact met elkaar maar wachtten nog op Haïtiaanse goedkeuring. Voor zesentwintig kinderen was de adoptie wel al zo goed als rond.”

Drie broertjes

John en Jolanda van den Elshout weten al in september 2008 ze dat zij de ouders zouden worden van de broertjes Jean-Rebly, Jeasnel en Jaslin. „Drie kinderen ineens, dat zijn er veel ja”, zegt Jolanda een jaar na dato droog lachend aan de eettafel in Waalwijk. „Maar wij hoefden er geen moment over na te denken. Wij wilden toch graag meerdere kinderen en het is natuurlijk prachtig als broertjes of zusjes bij elkaar blijven na adoptie.”

Die vrijdag geeft het ministerie van Justitie groen licht voor de evacuatie van de drie broertjes en de 23 andere kinderen uit de zogenoemde groep 1 van wie de papieren al zo goed als rond waren. John van den Elshout: „Ik ben als een gek het huis kinderklaar gaan maken. Ik was blij dat ik wat omhanden had, want de onzekerheid tot dan toe was gekmakend geweest."

Jolanda van den Elshout belt haar werk af en rijdt naar het kantoor van de NAS in Oudewater om de medewerkers bij te staan. Daar moet in razend tempo een evacuatievlucht worden georganiseerd. Aan het einde van die vrijdagochtend zit in Oudewater een crisisteam paraat, inclusief twee professionele communicatieadviseurs.

De eerste optie op een vliegtuig, à 80.000 euro, is verlopen; dat aanbod was voor de NAS te snel gekomen. Om 14.00 uur verloopt de volgende en meteen laatste optie. Macky Hupkes: „Door de enorme vraag om hulp in Haïti was de tijdsdruk enorm. De vliegtuigmakelaar moest binnen dertig minuten weten of we een toestel wilden huren à 225.000 euro. Het vertrek naar Haïti stond gepland voor de maandag erop.”

Arnold Schouten: „We hadden het geld niet. We durfden er wel op te rekenen dat de adoptieouders allemaal zouden willen bijdragen, maar daarmee zouden we er nog lang niet zijn. We moesten direct de helft overmaken. Als de bestelde vlucht onverhoopt niet zou doorgaan, was de stichting failliet. Dan zouden we hier allemaal ons werk kwijtraken en niet weten hoe het met de kinderen verder moest gaan.”

In de hitte van het moment waagt Jolanda een telefoontje naar haar baas bij verzekeringsmaatschappij Interpolis. Ze vraagt of het bedrijf garant wil staan voor de helft van de kosten. Ook Macky Hupkes krijgt hem aan de lijn en maakt kort en krachtig duidelijk dat het leven van de kinderen op het spel staat: „In de telefoon die ik aan mijn linkeroor had, zei hij ja. In de telefoon die ik aan mijn rechteroor had, bevestigde ik vervolgens de huur van het vliegtuig – één minuut voor de deadline.”

Jolanda van den Elshout: „Ik wist dat ik aan mijn baas het onmogelijke vroeg, het was eigenlijk emotionele chantage. Maar op zo’n moment doe je alles. En het bijzondere is dat iedereen die we ergens om vroegen maar wat graag meewerkte.” Zo regelt de ‘Stichting Help Haïti’ luiers, geneesmiddelen, water en andere hulpgoederen. Daardoor vertrekt het vliegtuig met een volgeladen ruim naar Haïti. Onbedoeld voordeel is dat de verkeersleiding in Haïti later niet moeilijk zal doen over toestemming om te landen: het toestel wordt dankzij de hulpgoederen aangemerkt als humanitaire vlucht.

Toestemming

Ook in Haïti wordt met man en macht gewerkt aan de evacuatie. Medewerkers van de kindertehuizen stellen op een typemachine haastig een lijst samen met de namen van de kinderen en zoeken een rechter die goedkeuring voor hun vertrek kan verlenen. Pas daarna kunnen de Nederlandse autoriteiten hun toestemming geven. De handtekening die de medewerkers bemachtigen, blijkt later niet rechtsgeldig te zijn, omdat die afkomstig is van een vredesrechter. Daardoor wordt de evacuatie van de andere kinderen, naast de eerste groep van zesentwintig van wie de papieren in orde is, voorlopig niet toegestaan. Honorair consul Rob Padberg spant zich in om de juiste personen hiervoor te vinden. Een taaie missie, bij de chaotische toestanden waarin het land verkeert. Intussen probeert Padberg oom bewaking, voedsel en water naar de tehuizen te krijgen.

Zowel bij de NAS in Oudewater als op de ministeries in Den Haag wordt intussen koortsachtig geprobeerd de zaken rond te krijgen. Zorgvuldig handelen onder deze uitzonderlijke omstandigheden maakt dat er weinig ruimte is voor beleefdheden of nuances. „De communicatie verliep nogal direct”, herinnert Macky Hupkes zich. „Er zijn stevige woorden gewisseld met mensen op ministeries. Onder normale omstandigheden hadden we elkaar nooit zo toegesproken.”

Dode adoptierechter

Op zaterdag is er een bijeenkomst op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ambtenaren van maar liefst vijf ministeries zijn vertegenwoordigd en ook de vereniging Wereldkinderen is van de partij. Arnold Schouten: „Ik heb toen onderstreept dat de toekomst van de achterblijvende kinderen in de tehuizen ronduit slecht zou zijn. Diverse kinderen hadden medische hulp nodig. Het was duidelijk dat die er niet zou komen. Bij kinderhuis Bresma vertrokken de verzorgsters omdat hun eigen families getroffen waren door de ramp. De adoptieprocedures zouden vastlopen doordat de adoptierechter onder het puin van het Paleis van Justitie was omgekomen.”

Zaterdagmiddag verleent Buitenlandse Zaken toestemming meer kinderen versneld op te halen, mits de Haïtiaanse autoriteiten toestemming geven. Bovendien besluit het ministerie de vliegkosten voor zijn rekening te nemen, plus de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de kinderen tijdens de evacuatie. Als dit bericht doorkomt op het kantoor van de NAS is daar juist een cameraploeg van het NOS-journaal aan het filmen. De ontlading van vreugde is live op televisie te zien. Monica Kerstens ziet de uitzending en belt naar haar man Michiel die de stad in is gevlucht om wat troostinkopen te doen. Michiel: „Op dat moment hebben we gejuicht en gehuild van geluk.” Monica rijdt meteen naar Ikea om een bed en een kast voor Naldo te kopen.

Zondag stelt het crisisteam bij de NAS een schema op waarin de kinderen worden ingedeeld in groepjes van vier of vijf. Elk groepje krijgt een eigen begeleider, broertjes en zusjes moeten bij elkaar blijven en hun leeftijden moeten variëren om een groepje werkbaar te houden voor de begeleider. Omdat het initiatief van de NAS inmiddels veel media-aandacht heeft gekregen, stromen de aanbiedingen binnen van artsen, verpleegkundigen en psychologen die hun hulp aanbieden. Op zondagavond staat een team van 26 begeleiders klaar voor vertrek. Macky: „We hadden geen idee hoe de kinderen eraan toe zouden zijn, maar we gingen uit van het ergste.”

Huilconcert

Maandag 18 januari 2010 om 11.30 uur vertrekt het team onder leiding van Macky Hupkes vanaf Schiphol naar Haïti. Arnold Schouten coördineert de luchtbrug vanuit Nederland. Op woensdag 20 januari wordt Haïti getroffen door hevige naschokken maar de kinderen en het hulpteam blijven ongedeerd. Door de naschokken verlenen Haïtiaanse autoriteiten op het allerlaatste moment toestemming veertien adoptiekinderen extra mee te nemen voor Luxemburgse gezinnen.

De kinderen worden per bus door Nederlandse mariniers overgebracht van de kindertehuizen naar de luchthaven bij Port-au-Prince. Een tocht die normaal een uur vergt, duurt door de puinhopen een hele dag. Bij de vliegtuigdeur wordt de identiteit van alle 103 kinderen gecheckt en wordt hun conditie gecontroleerd.

Macky: „Er heerste een gespannen sfeer op de luchthaven, er waren rellen uitgebroken en Amerikaanse militairen probeerden de situatie onder controle te krijgen. In die chaos riep een van de soldaten: Get the fuck out of here!”

De kinderen zijn onrustig. Ze hebben allemaal last van diaree. Er is te weinig tijd om nog eens dubbel te controleren of elk kind van de lijst echt wel aan boord is. Dan sluiten de vliegtuigdeuren en starten de motoren. Als het toestel opstijgt, komt de ontlading. Ruim honderd kinderen beginnen te huilen. Macky sms’t naar Nederland: ‘Deuren dicht. Het mooiste huilconcert ooit.’