'Ik heb me gewoon aangepast'

De moeder van Lien ter Metz (1920) werd als jong Chinees meisje in Indië uitgehuwelijkt. ‘Mijn moeder was niet lief. Ze was praktisch.’

‘Ik ben geboren in Pekalongan, op Midden-Java. We woonden op het strand, in een huis met witte marmeren tegels op de vloer. Bij vloed moest je oppassen met lopen, want het water kwam soms zo het huis in en dan werd alles nat en glibberig. We konden krokodillen zien zwemmen.

„Mijn vader was belastinginspecteur voor de Nederlandse regering. Hij had een hoog salaris. We hadden een kokkie, een tuinman, een chauffeur, een jongen die de boodschappen droeg en voor ons alle vier een eigen baboe. Baboes droegen kinderen altijd op de heup. Daar heb iko-benen van gekregen.

„Mijn vader was in Indië geboren, maar zijn voorouders waren Duits of Frans. Mijn broer heeft dat later nog helemaal uitgezocht. Ik weet het niet precies. Ik heb mijn meisjesnaam Hauber wel een keer in Frankrijk op een kledingwinkel zien staan.

„Mijn moeder was het kind van Chinese vluchtelingen, die naar Indië waren gekomen met hun juwelen in hun kleren genaaid. Haar vader overleed al vroeg. Op een avond kreeg mijn moeder te horen: morgen is er een bruiloft. Mijn moeder dacht dat haar moeder zou hertrouwen, dat ze een nieuwe vader zou krijgen. Het bleek om haar eigen bruiloft te gaan. Ze werd uitgehuwelijkt aan de rijke meneer die vaak bij hen op bezoek kwam. Zij was zestien, hij was vijftig. Een jaar na het huwelijk werd mijn broer geboren, daarna kwamen mijn zussen en ik.

„Ik herinner me mijn vader niet als vader. Het was een beetje een statige man. Met ons, meisjes, bemoeide hij zich niet zoveel. Meisjes telden amper mee toen, zeker in Indië. Een jongen moest het zijn.

„Mijn vader stopte op zijn éénenzestigste met werken. Hij kon zijn pensioen ook in Nederland besteden, en hij was altijd van plan geweest daar te gaan wonen. Hij wilde dat al zijn kinderen iets werden, dat we onze eigen centen zouden verdienen. In Nederland waren betere opleidingen.

„De overtocht duurde drie weken. Een prachttijd was dat, het was ongelooflijk. Toen we met dat grote schip in Scheveningen aankwamen, stond de hele kade vol mannen en vrouwen die passagiers aanklampten: hebt u al onderdak? Ze hadden allemaal woonruimte te huur. Mijn vader raakte in gesprek met een man uit Haarlem. We konden terecht in zijn bovenhuis: een zolder met drie slaaphokken. Later kocht mijn vader een heel huis aan de singel.

„In het begin was het naar en kil in Nederland. Eén van onze baboes was met ons meegekomen, nou, die heeft het niet lang volgehouden. Ze had het koud, zo koud! En maar klagen over alles. Mijn vader heeft haar op een goedkoop schip terug naar Indië gezet. Toen kregen we een Duits dienstmeisje.

„Ik had geen heimwee, ik was niet verdrietig. Ik sprak toch alleen maar Nederlands, en we hadden een leuke school. Ik heb me gewoon aangepast.

„Mijn vader zat de hele dag heerlijk te niksen. Het enige wat hij nog deed, was schaken. Hij had het bord altijd voor zich staan, en als wij uit school kwamen, zei hij: ‘Een potje.’ Hij wilde alleen tegen mij of tegen mijn broer. Ik deed het maar, ik kon niet boos op hem worden.

„Toen ik zestien was, vond mijn moeder hem op een dag in zijn stoel. Ze zei iets tegen hem, maar hij gaf geen antwoord. Hij was dood, gestorven aan een hartverlamming. Wij werden gewaarschuwd op school.

„Na mijn vaders dood moesten we het huis verkopen, want mijn moeder had maar een klein pensioentje. We gingen naar een huurhuis. Mijn zussen en ik knipten eindelijk ons haar af. Van mijn vader mocht dat nooit, en we liepen gewoon voor gek. De Hollandse meisjes hadden niet zulk lang haar. Dat van mij kwam tot aan mijn billen, vreselijk. Het kammen deed ook zo’n zeer.

„Mijn moeder was niet lief. Ze was praktisch, ze was altijd met haar handen bezig. Pas later is ze me dingen gaan vertellen. Ze heeft haar hele leven dingen moeten doen die ze… Het is toch verschrikkelijk om zo jong te worden uitgehuwelijkt? Wat voor contact heb je met zo’n man? En kinderen krijgen deed ze ook maar omdat het moest. Zo heeft ze het weleens gezegd.

„Ik ontmoette mijn man op mijn achttiende. We zaten allebei op dansles en hij viel op mij, hij kwam me steeds thuis ophalen. Mijn moeder vond hem niet geschikt: het was een kaaskop, zei ze, en hij verdiende niet genoeg. Ik ben wel met hem getrouwd, hoor. Maar ik ben ook altijd blijven werken.”

In huis verandert ze niets: wat het nog doet, mag blijven. Alleen de wandelstok is nieuw. Ze heeft tot haar zevenentachtigste getennist.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl