Het pensioen is geen lange stedentrip maar een kans om idealen te verwezenlijken en anderen te helpen

Babyboomers die afgelopen dagen voor het eerst met pensioen gaan, zijn misschien de welvarendste generatie ooit met tientallen gezonde jaren voor de boeg. In plaats van alleen te reizen of te consumeren kunnen ze les geven, moeilijke kinderen coachen, jonge ondernemers steunen. Geef gepensioneerden geen bejaardenpas maar stimuleer hen om anderen te helpen of om langer door te werken.

Voorzitter van de raad van bestuur van het Trimbos-instituut, het nationaal kennisinstituut op het gebied van geestelijke gezondheid. Hij publiceerde recent ‘Mentaal Vermogen’ en ‘Jong van Geest’ (Uitgeverij Nieuw Amsterdam).

De gemiddelde levensverwachting is de laatste anderhalve eeuw gestegen van net boven de 30 tot rond de 80 jaar. De komende decennia komt daar nog eens zes jaar bij. Dat is een omwenteling in de bevolkingsopbouw, waarbij ouderen van schaars tot zeer overvloedig aanwezig zijn. Over een aantal jaren zal een kwart van de bevolking in Nederland ouder zijn dan 65 jaar. Die omwenteling begint meteen goed. De geboortegolf van na de Tweede Wereldoorlog, tussen 1945 en 1955, bereikt nu de pensioengerechtigde leeftijd. Wereldwijd maar liefst tachtig miljoen.

Nu willen we graag langer leven, als we maar niet oud worden – ons beeld van oud-zijn is negatief gekleurd. Ik merk al bij mijzelf de aarzeling om mijn leeftijd (61) te noemen. Maar als je overheidsnota’s of wetenschappelijke beschouwingen leest over ouder worden, slaat de schrik je pas écht om het hart. Je hart werkt slechter, de kans op een hartinfarct neemt toe, het vermogen van je longen neemt af, je nieren werken minder effectief, je gezichtsvermogen wordt slechter met toegenomen kansen op staar en glaucoom, je gewrichten werken minder goed en ontkalking van je botten is waarschijnlijk. En het aantal hersencellen wordt steeds minder. Ik keek laatst argeloos in een mooi plaatjesboek over de hersenen en zag daar hoe in oudere hersenen zelfs gaten vallen! Dit is dus mogelijk het laatste coherente stuk dat ik nog schrijven kan. Het is duidelijk: je kunt beter een ernstige ziekte hebben dan ouder worden. Pete Townshend van de rockband The Who wist het al veel eerder en zingt in My Generation: ‘Hope I die before I get old’. Geen wonder dat ik er geen zin in heb om ouder te worden, dat de overheid zich grote zorgen maakt en dat werkgevers weinig investeren in oudere werknemers en deze niet graag aannemen. Geen wonder dat ook het kabinet-Rutte zich alleen maar richt op de problematische kant van het ouder worden.

Maar Townshend, inmiddels 63, zingt dat nog steeds bij zijn optredens. Kennelijk valt het leven als oudere hem toch wel mee. Hij ervaart mogelijk aan den lijve dat mensen gelukkiger zijn naarmate ze ouder worden. Ons dieptepunt als het gaat om geluk, ligt rond de 46 jaar. En daarvoor, maar vooral daarna, voelen we ons een stuk gelukkiger, zo blijkt uit verschillende onderzoeken. Tot diep in ons tachtigste jaar. In ieder geval in ontwikkelde landen. Dat we zo tegen het ouder worden opkijken, komt voor een deel voort uit wetenschappelijk onderzoek dat steeds maar groepen jongeren met groepen ouderen vergelijkt. En dan de verschillen toeschrijft aan leeftijd. Zo kom je tot hardnekkige mythes als: ouder worden betekent ziek worden, cognitief achteruitgaan, dementie, eenzaam en depressief worden. Dat van die eenzaamheid en depressiviteit klopt in ieder geval al niet, integendeel: ouderen zijn juist minder eenzaam en minder depressief dan jongeren, maar ook bij de andere veronderstelde kenmerken van het ouder worden blijken deze eerder samen te hangen met leefstijl. In ieder geval veel meer met leefstijl dan met toenemende leeftijd.

Tussen ouderen onderling bestaan namelijk grote verschillen. Verschillen die deels erfelijk zijn en deels samenhangen met leefstijl. Inactief zijn, lichamelijk of mentaal, leidt tot afname van lichamelijke en cognitieve functies. Een positieve verandering in leefstijl kan zelfs op hogere leeftijd vrij snel een aantal van deze functies herstellen. Veel van die mythes zijn dus alleen waar, als je pech hebt of ongezond leeft. De kans op ouderdomskwalen is aanzienlijk geringer bij een actief en gezond leven, behalve in de laatste fase van het leven. Daarbij komt dat we de mythes ook nog eens bevestigen door een proces van zelfattributie: je gedragen naar het beeld dat van je bestaat: ik ben 61, vergeet mijn sleutels en weet dat het komt door mijn leeftijd. Dat dacht ik niet toen ik op mijn 16de mijn sleutels vergat.

De mythes van de ouderdom waren dus misschien een realiteit voor vorige generaties maar niet of nauwelijks voor de babyboomer. Als die met pensioen gaat, voor zover al niet met prepensioen, kunnen we de rollators en de zorg voorlopig nog in de kast houden. Gezien de doorgaans verantwoorde levensstijl gaat een groot deel van de komende generatie gepensioneerden in het volle bezit van hun mentale en fysieke vermogen het pensioen in.

Gemiddeld genomen hebben de babyboomers het altijd goed gehad. Ze zouden wel eens de geschiedenis kunnen ingaan als de meest welvarende generatie ooit, ingeklemd tussen de generaties die de wereldoorlogen meemaakten en de generaties na de economische crisis. Ze konden zo goed als gratis studeren, er was ruim werk beschikbaar toen zij op de arbeidsmarkt kwamen. Er kwamen allerlei subsidies zoals de huursubsidie, de hypotheekrenteaftrek en goedkope toegang tot culturele activiteiten. Ze kregen een vangnet voor als het mis ging met de WAO en de WW – waarvan ook ruim gebruik werd gemaakt. En zij ontvingen in de loop van hun leven steeds meer salaris. En omdat ze hun gezin klein hielden, was er meer dan voldoende beschikbaar voor consumptie en goederen. Hun aandelen en hun huizen stegen in waarde en zo konden velen een aardig vermogen opbouwen. Zij kregen steeds meer vakantie en hoefden zaterdag niet meer te werken. Velen konden gebruikmaken van gunstige prepensioenregelingen en zij ontkomen ook nu aan maatregelen die de pensioenleeftijd verhogen. Zo neemt nog maar een klein percentage van de babyboomers van boven de zestig deel aan het arbeidsproces.

Na het 65ste jaar is er de AOW, een redelijk pensioen en vaak een leuke spaarpot. De babyboomers kregen in hun jeugd al veel aandacht voor hun ideeën en hebben hun weerzin tegen macht aardig overwonnen met het bezetten van belangrijke posities in bedrijfsleven, wetenschap en gezondheidszorg. Hun aanvankelijke kritiek op de consumptiemaatschappij verstomde al snel toen zij zich ontwikkelden tot geroutineerde en kritische consumenten voor wie het beste van wat er in de wereld beschikbaar is aan goederen en ervaringen binnen bereik kwam.

Geen wonder dat deze generatie blootstaat aan jaloers commentaar. En dat liegt er soms niet om. Hun wordt arrogantie verweten met hun geromantiseerde sixties, hun trots op de beperkte revolutie van 1968, hun claim de machtsverhoudingen te hebben gewijzigd en hun uitspraken als ‘wij hadden tenminste idealen’. Maar dat is nog het minste. De babyboomers wordt ook verweten dat zij ontrouw werden aan hun idealen zodra zij aan de macht kwamen. Zij worden verantwoordelijk gesteld voor de grote maatschappelijke crises. Hun grenzeloze consumptiepatroon is de oorzaak van de ecologische crisis, hun behoefte om die consumptie te financieren met leningen is de oorzaak van de financiële crisis en hun ongebreidelde consumptie de oorzaak van chronische ziektes zoals hart- en vaatziektes, diabetes en kanker die voor een deel hun oorzaak vinden in onverstandige leefpatronen. Dat is nogal wat. Tom Friedman, New York Times-columnist en zelf babyboomer, vat het oordeel vernietigend samen: „De krekelgeneratie, die zich door alles heen eet als hongerige sprinkhanen.”

En deze omstreden generatie is nu de voorhoede van de grote groep ouderen die deel zal gaan uitmaken van de bevolkingspiramide. Zij hebben op hun 60ste of 65ste nog minstens 20 tot 25 jaar voor zich in goede mentale en fysieke gezondheid. Dat was rond 1800 een heel mensenleven. Bovendien gaan zij niet eens zo heel moe van hun werkende leven het pensioen in. Mensen met een zwaar lichamelijk beroep zijn moe en vaak versleten op hun zestigste. Maar dienstverleners en kenniswerkers met al hun vakanties niet of nauwelijks.

Dit is het moment van de waarheid. Wat gaan al deze ouderen doen in het kwart van hun leven dat ze nog voor zich hebben? In de Verenigde Staten bestaat de tendens dat de gegoede middenklasse ouder dan zestig zich terugtrekt in voor hen gemaakte wijken en zelfs steden waarvan er al tientallen bestaan: gerotopia. De wijk is niet toegankelijk voor anderen dan de ouderen die hun dagen doorbrengen met golf, joggen, reizen en andere plezierige activiteiten. Het Nederlandse equivalent daarvan is fietsen en citytrips, vanuit het idee dat de pensioenperiode een soort lang weekend, een heel grote vakantie is. En waarbij het gaat om zoveel mogelijk plezierige ervaringen op te doen.

Is dat het perspectief gedurende een kwart van je leven? Daarmee conformeert de babyboomer zich volledig aan het negatieve beeld dat er van hem of haar bestaat. De vraag is of het moreel, maar ook maatschappelijk en economisch te verantwoorden is om zoveel kennis en ervaring af te schrijven en de vraag rijst voor wie het eigenlijk goed is dat mensen een kwart van hun leven vakantie vieren.

Er zijn andere mogelijkheden. De oude idealen waaraan in het werkzame leven concessies zijn gedaan, kunnen weer opgepakt worden. Ouder worden betekent het zoeken naar een nieuw perspectief voor een aanzienlijke periode.

Heerlijk om te genieten van die vrijheid. Maar die vrijheid zou heel goed voor een deel ten dienste kunnen worden gesteld aan anderen. Vanuit een maatschappelijk en dienend perspectief. Niet alleen voor jezelf, maar ook voor een betere wereld. Waarom niet? Zoals het ondersteunen van jonge ondernemers, of kinderen uit een moeilijk gezin coachen, of de zeer ouden en eenzamen in de buurt of in een verzorgingstehuis bijstaan, of scholen ondersteunen met lessen, natuurorganisaties helpen met het behoud van de natuur, een maatschappelijk duurzaam bedrijfje opzetten met een paar vrienden, of culturele organisaties met raad en daad bijstaan. Er is heel veel werk te doen zeker in een samenleving die in de nabije toekomst personeelstekorten kent.

Maar ook de politiek, het bedrijfsleven en maatschappelijke instellingen zouden vanuit een ander perspectief naar de vergrijzing kunnen kijken. Zij hebben het zo druk met zich zorgen maken over de vergrijzing dat ze niet goed zien dat deze ook een zegen kan zijn. Door de juiste condities te scheppen kunnen deze instituten veel ouderen verleiden om zich langer in te zetten en zo maatschappelijk actief te blijven. Dat heeft een aantal voordelen, voor de oudere zelf maar ook omdat actieve ouderen langer gezond blijven en omdat zij veel taken kunnen vervullen waaraan maatschappelijk behoefte is. Werkgevers kunnen het veel aantrekkelijker maken voor ouderen om langer door te werken. Bijvoorbeeld door vanaf het zestigste jaar meer ruimte te bieden voor flexibele arbeidstijden zodat iemand die tijden kan afstemmen op de eigen conditie en energie. En zij kunnen veel meer investeren in de ontwikkeling van oudere werknemers, een investering die nu vaak rond de vijftig ophoudt wat gezien het ongebroken leervermogen van ouderen nergens op slaat.

Door zo weinig in de ontwikkeling van oudere werknemers te investeren ontstaat de situatie die we nu vaak tegenkomen, dat mensen snakken naar het moment van pensionering. Terwijl ze, als het gaat om hun mentale en fysieke vermogens, nog moeiteloos tot hun zeventigste door zouden kunnen gaan. Voor de meeste mensen zijn weinig zaken zo aversief als zich niet kunnen ontwikkelen.

Publieke instellingen en overheden kunnen veel werk als vrijwillig werk aanbieden en deelname daaraan aantrekkelijk maken. Het werkt beter voor de maatschappelijke participatie van ouderen om hen te stimuleren te werken waar dat voor de samenleving zinvol is, dan hen allerlei voordeeltjes en subsidies te geven. Doe dat bij de groep die dat echt nodig heeft. Een gemeente zou heel goed bij iemand die gepensioneerd raakt, kunnen langsgaan om die te feliciteren en te vragen of zo iemand er plezier in heeft om gedurende wat voor tijd dan ook de gemeente te helpen bij verschillende activiteiten. We weten al veel van de factoren die bijdragen aan het geluk en welbevinden van mensen. Mensen blijven langer gezond en gelukkig als ze actief blijven en zich kunnen ontwikkelen.

Ouderen volop betrekken bij de gemeenschap zou wel eens de sleutel kunnen zijn om de maatschappelijke en financiële problemen die nu voorspeld worden door de onevenwichtige bevolkingssamenstelling te voorkomen. Dat kan ook de sleutel zijn tot wederzijdse acceptatie en respect tussen generaties. In ieder geval is het de sleutel tot een zinvolle invulling van het leven en meer gezondheid en welbevinden bij ouderen.

Voor de babyboomers is de cirkel dan rond. Zij begonnen en eindigen hun leven gedreven door belangrijke idealen. Daar mogen ze best een beetje over opscheppen.