Debat van de week

NAI Winter Platform, architects talk, taste and pleasure, FAT/muf. Door het Nederlands Architectuurinstituut (NAi), in samenwerking met de Vrienden van het NAi. Met Sean Griffiths en Lisa Fior, De Dépendance, Schieblock in Rotterdam, donderdag 6 januari.

Een tuin als alle andere maakt de mensen blij

Niemand wordt architect om doorsneetuintjes te ontwerpen, omzoomd met Gammaschuttingen en voorzien van vijvers met tuinkabouters ernaast. Natuurlijk niet! Je wordt Rem Koolhaas, je krijgt opdrachten van de Chinese overheid en de door jou ontworpen gebouwen worden iconen!

Totdat de gemeente Manchester je de opdracht geeft om een stuk te grond te bebouwen met arbeiderswoningen. Dit dwingt je om elke Koolhaas-achtige aspiratie terzijde te schuiven, al was het maar vanwege je karige budget.

De arbeiders in Manchester staan niet bekend om hun avant-gardistische voorkeuren ten aanzien van architectonische ontwerpen. Het liefst hebben ze precies die tuintjes met schuttingen en vijvers.

Waarom geef je hun niet exact wat ze willen?

Dat mag dus niet, in de architectuur. Hoe zou het kunnen! Daar is toch niets creatiefs aan! Stel je voor! Dat je dus echt, zonder enige ironie, zo’n tuintje zou ontwerpen!

De opdracht van de gemeente Manchester ging naar architect Sean Griffiths, van de Londense architectuur- en designpraktijk Fashion Architecture Taste (FAT). In Rotterdam vertelde hij voor een vol zaaltje van architectuurfanaten – mannen met nonchalante stoppelbaarden en vrouwen met doeken om hun schouders geslagen – over zijn ervaringen.

Aanvankelijk wilde Griffiths de ruimte achter deze arbeidershuizen omtoveren tot een gemeenschappelijke ontmoetingsruimte. Daarvan wilden de bewoners niets weten. Zonder afdoende beschutting kun je niet eens lekker en in alle rust barbecuen.

Wat doe je dan als architect? Volg je je creatieve aspiraties of neem je de wensen van de bewoners serieus?

Griffiths besloot te luisteren naar de bewoners. Iedereen kreeg een eigen tuin. Ook voor het ontwerp van de huizen zelf heeft hij de bewoners intensief geraadpleegd.

De ‘eclectische stijl’ van de inrichting van de bestaande arbeiderswoningen had diepe indruk gemaakt op Griffiths, vertelde hij in Rotterdam. De bijbehorende dia toonde een open haard met daaromheen talloze fotolijstjes en porseleinen beelden van dieren. Het publiek lachte besmuikt.

Bij eerdere presentaties die Griffiths tegenwoordig over de hele wereld geeft, had hij die besmuiktheid eerder gehoord. Onterecht, vond hij. „Die bewoners zijn zo creatief, daar kunnen de meeste architecten nog wat van leren.” Hiermee doelde hij voornamelijk op ontwerpers van onpersoonlijke blokkendozen.

Griffiths liet de bewoners niet helemaal hun eigen huis kiezen. De façades van de huizen wijken af van de gangbare standaarden. Elk huis heeft zijn eigen, unieke gevel gekregen. De bedoeling is dat de bewoners vooral veel voorwerpen bevestigen aan hun voorgevel, om hun eclectische stijl ook tot uiting te laten komen in de buitenruimte. Hierbij denkt Griffiths onder meer aan een houten nepgalg, bekend van de gevels van saloons uit Lucky Luke.

De architect is blij, de bewoners zijn blij en architectuurliefhebbers zijn gerustgesteld over het ‘eigene’, dat even leek te zullen ontbreken bij Griffiths’ ontwerp.

Het lijkt wel een sprookje.

Helaas komt de arbeidersdroom van Griffiths, zelf afkomstig uit een links vakbondsmilieu, niet helemaal uit.

Dat ligt ten eerste aan de bewoners zelf. Griffiths mag dan fan zijn geweest van de oude inrichting van de huisjes, waarvoor ‘kitschige troep’ eveneens een adequate omschrijving zou zijn; de bewoners zelf vonden dat hun oude meubilair niet meer paste in hun vers opgeleverde woning. Ze zetten moderne designstoelen om hun strakke eettafels heen. Dat was niet wat Griffiths voor ogen had.

Nog fundamenteler is het probleem dat de huisjes met hun façades zo beroemd werden dat de waarde ervan explosief toenam. Ineens werd een blok met voorheen onbeduidende arbeidershuizen een interessant object voor rijken en overige architectuurliefhebbers. De arbeiders, voor wie alles was bedoeld, worden uitgekocht.

Misschien moet de architect in kwestie zich voortaan toch maar beperken tot gemiddelde Vinex-woninkjes.

Derk Walters