'De vlo' en de kracht van de lange S-en

Het gedicht The Flea (De vlo) van John Donne uit 1610 was het onderwerp van de eerste aflevering van deze rubriek over klein springerig nieuws, De Hoger Opgeleide Vlo. Het stond op 30 december 2010 op de Achterpagina -- nog net op tijd om het 400-jarig bestaan van het gedicht te vieren. Janet Luis schreef over hoe Donne via een vlo, die hem en zijn geliefde beet, een dame het hof wilde maken: Me it suck’d first, and now sucks thee. Het is een ‘spitsvondig gedicht’ schreef ze, dat Donnes literaire vernuft toont. Er is ook nog een vernuftig typografisch spel dat de 17de-eeuwse dichter Donne met dit gedicht speelde, schrijft Brooke Marshall op zijn Engelstalige website over typografie. Volgens hem haalde Donne een typografisch geintje uit met de derde regel van het gedicht, hierboven geciteerd. Vaak werd een ‘s’ in 17de- en 18de-eeuwse typografie als lange ‘s’, die sterk op een ‘f’ lijkt gezet. In het Nederlands kennen we dat ook, getuige de beroemde regel van Hiëronymus van Alphen: Mijn fpelen if leren, mijn leren if fpelen uit Kleine gedichten voor kinderen (1778). Met die lange s die op een f lijkt, krijgt de derde regel uit The Flea (Me it fuck’d first- zie illustratie) een andere lading. Het woord fuck is in 1500 voor het eerst in het Engels opgeschreven.

Paul Steenhuis

Mail de Hoger Opgeleide Vlo via achterpagina@nrc.nl

Vlooienscheetje

We staan te boek als een proper volk, maar voordat dagelijks wassen of douchen hier een gewoonte werd, waren luizen en vlooien onze trouwste huisdieren. Dat heeft z’n sporen nagelaten in onze taal. Zo kennen we al sinds het midden van de 16de eeuw het spreekwoord magere (of hongerige) vlooien bijten het hardst voor ‘de slechtst gesitueerden doen zich het meest gelden’ – onder conservatieven en liberalen nog altijd een populaire opvatting. Een verwant spreekwoord luidt men wordt het hardst gebeten door zijn eigen vlooien voor ‘familieleden veroorzaken de meeste last’ – een volkswijsheid die aan het begin van de 20ste eeuw voor het eerst is opgetekend. In totaal bestaan er zo’n vijftig spreekwoorden en uitdrukkingen over vlooien. De meeste zijn in onbruik geraakt. De jongste editie van de Grote Van Dale vermeldt er nog negen, waaronder opvliegen als een bosje vlooien (‘plotseling geweldig opstuiven’), ik zit hier niet om vlooien te vangen (‘mijn tijd is kostbaar dus schiet een beetje op’), een beursje met vlooien (‘een zenuwpees’) en wie bij de hond slaapt, krijgt vlooien (‘van iemand met wie men intiem omgaat neemt men makkelijk iets over’). Verder leert dit woordenboek ons dat vlo ook wordt gebruikt voor ‘heel kleine auto’ en ‘zeer kleine man’ en dat er minstens twee schertsende benamingen voor ‘vlo’ bestaan: het zeldzame en curieuze hipperdeklink en huzaar. Van de samenstellingen met vlo / vlooien in de Grote Van Dale springen er twee uit: de vlooienscheet voor ‘vlekje veroorzaakt door de uitwerpselen van een vlo of wat men daarvoor houdt’ en vlokleurig. Vlokleurig betekent ‘donker roodbruin als de vlo’, met als synoniem puce (Frans voor vlo). De gebruikelijkste vlo-uitdrukking lijkt deze, een dooddoener op de vraag: „Hoe kom je daar aan?” Antwoord: „Tja, hoe komt een hond aan vlooien?” Ewoud Sanders