De strijd tegen het antisemitisme is verworden tot ideologie tegen moslims

Bestaand antisemitisme wordt ontkend door het te vergelijken met de Shoah. Aan de andere kant wordt gewaarschuwd dat moslims een nieuwe Shoah tegen Joden gaan ontketenen.

Bijzonder hoogleraar hedendaags Jodendom aan de Universiteit van Amsterdam en onderzoeker aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie.

In een interview in Opinie & Debat (31 december) bestempelde Manfred Gerstenfeld, auteur van Het Verval. Joden in een stuurloos Nederland, de politiek van ‘de boel bij elkaar houden’, bekend van PvdA-leider Job Cohen, tot Siciliaanse maffiapolitiek – een politiek van het recht van de sterkste. Drie weken eerder was hij in een interview in het Nieuw Israelietisch Weekblad (10 december) nog een stapje verder gegaan. Daar stelde hij: „Mensen zoals Van Agt en Cohen helpen mee aan het scheppen van een sfeer die een tweede Shoa de komende tien jaar mogelijk maakt.”

Hoe komt het dat zulke groteske beweringen vrij baan krijgen en op relatief weinig verzet stuiten? Dat komt doordat degenen die deze uitspraken doen, zich hullen in de oogverblindende mantel van het anti-antisemitisme. Dat is ook een van de instrumenten waarvan het rechtse populisme zich bedient.

Ik kwam het begrip ‘anti-antisemitisme’ voor het eerst tegen in het essay Is Anti-Semitism Dying Out? (1993) van de Joods-Amerikaanse historicus Arthur Hertzberg. Hij keert zich met deze term tegen hen die niet de Joden, maar de Jodenhaat demoniseren.

Het concept ‘anti-antisemitisme’ is verhelderend, omdat het laat zien dat de strijd tegen antisemitisme kan verworden tot ideologie en tot zowel middel als doel op zich. In het huidige tijdsgewricht gaat anti-antisemitisme nogal eens hand in hand met verkettering van de islam.

Allereerst is er het ‘reëel bestaande’ antisemitisme. Dat in Nederland rabbijnen – en andere joden die als joden herkenbaar zijn – zich nauwelijks kunnen bewegen in het publieke domein zonder te worden lastiggevallen of bedreigd, is het topje van de ijsberg die antisemitisme heet. Het zijn vaak Marokkaanse jongeren die zich schuldig maken aan deze, soms fysiek gewelddadige vorm van antisemitisme, maar zeker niet alleen zij. Veel omvangrijker is het arsenaal aan verbale antisemitische redeneringen en beledigingen onder ‘Nederlandse Nederlanders’. „Hitler was een aardige man vergeleken bij de Joden in Israël. Allemaal aan het gas die varkens en dan opvoeren aan de honden”, aldus een hatemail aan het Centrum Informatie en Documentatie over Israël. Hier wordt meteen duidelijk wat de twee belangrijkste hechtingspunten zijn geworden van het antisemitisme na 1945. Het eerste is de Shoah, ook wel Holocaust genaamd, die zich keert tegen de Joden zelf – „allemaal aan het gas”. Het tweede is Israël – „de Joden in Israël zijn erger dan Hitler”.

In de tweede plaats is er het debat over het antisemitisme. Dat wordt ernstig bemoeilijkt door de impact van de Tweede Wereldoorlog. Bij het woord ‘antisemitisme’ horen veel mensen het geluid van brallende nazi’s en denken ze aan gaskamers en massagraven. Dat leidt tot een paradox. Enerzijds manifesteert zich een nieuw taboe rond het benoemen van hedendaags antisemitisme, omdat de Shoah fungeert als meetlat. Vergeten wordt dat het antisemitisme veel ouder is dan dat van de nazi’s en dat het na de oorlog niet verdween. Dit taboe is in het belang van antisemieten, maar ook van diegenen die willen geloven dat antisemitisme iets van vroeger is, een geval van – al dan niet Jiddische – overdrijving en aandachttrekkerij. Anderzijds wordt het antisemitisme van nu uitvergroot en tot instrument gemaakt door hen die daar op hun beurt belang bij denken te hebben.

Deze twee ontwikkelingen zijn elkaars spiegelbeeld. Waar de één vergelijkingen met de Shoah inzet om hedendaags antisemitisme te ontkennen, bedient de ander zich ervan om te waarschuwen dat een nieuwe Holocaust dreigt – deze keer van de kant van ‘de moslims’. Van dit laatste is het boek van Gerstenfeld een extreem voorbeeld.

In de eerste plaats is het boek zowel journalistiek als wetenschappelijk onder de maat. Gerstenfeld doet niet aan interviews met mensen die zich, in zijn woorden, „vooral politiek correct” opstellen. Hij interviewt alleen mensen die zijn eigen visie bevestigen. Bovendien gebruikt hij anonieme en dus per definitie niet-verifieerbare bronnen. De verantwoordelijkheid hiervoor legt hij niet bij zichzelf. Hij noemt de noodzaak ervan „tekenend voor de sfeer van het huidige Nederland”. Daarmee suggereert hij dat Joden in Nederland terecht repercussies vrezen als ze hun ervaringen of klachten openbaar maken. Zo exploiteert hij al dan niet bestaande angst. Alles in zijn boek Het Verval moet bewijzen dat een nieuwe catastrofe voor de Joden, deze keer toegebracht door moslims, nabij is en wordt gedoogd door een toe- en vooral wegkijkende Nederlandse overheid en bevolking, net als ‘toen’.

In de tweede plaats is Het Verval een ideologisch pamflet. Alleen al in zijn taalgebruik verraadt Gerstenfeld een grote affiniteit met de Partij voor de Vrijheid (PVV) van Geert Wilders. Deze partij is filosemitisch, heet het.

Filosemitisme valt te beschouwen als gespiegeld antisemitisme. Beide hebben een mening over Joden die is gebaseerd op het loutere feit van hun Joods-zijn. Antisemieten verachten of haten Joden, qualitate qua. Filosemieten waarderen of verheerlijken Joden, met hetzelfde argument. Filosemitisme kan, net als antisemitisme, uitsluitend dienen om bepaalde, al dan niet politieke doeleinden te realiseren die niets of weinig te maken hebben met Joden. Zo is het een wijdverbreid misverstand dat de PVV per definitie pro-Israël is – de partij identificeert zich met (extreem-)rechts in dat land. Ook is het twijfelachtig of de partij daadwerkelijk filosemitisch is. Zij komt immers alleen op voor een jodendom dat beantwoordt aan haar eigen criteria en voor Joden die het gedachtengoed van de PVV min of meer delen. De ‘joods-christelijke traditie’ als fundament van Europa, waarop – niet alleen – de PVV zich beroept, is een mythe. Joden werden in christelijk Europa juist buitengesloten en vervolgd. De omarming door onder meer de PVV van de Joodse traditie als essentiële, politiek-culturele bouwsteen van Europa dient in de eerste plaats als handvat tegen de islam, moslimimmigranten en de aansluiting van Turkije bij de Europese Unie.

Bovendien zijn, gezien door het prisma van de PVV, ‘linkse’ Joden geen ‘echte’ Joden. Zij zouden zich onderwerpen aan de islam en gelden daarmee als ‘dhimmi’s’ – een begrip dat totaal uit zijn historische context is gerukt. In vroeger tijden golden joden en christenen in gebieden waar de islam de overhand had als ongelovigen en daarmee als tweederangsburgers. Tegelijkertijd hadden ze, als volkeren van het Boek, niet alleen plichten, maar ook rechten – vastgelegd in het dhimmacontract. De geestverwanten van de PVV hebben de term ‘dhimmi’ omgebouwd tot aanduiding van degene die buigt voor de islam – een stereotype.

In Het Verval gebruikt Gerstenfeld systematisch de term ‘Eurabia’, waarmee hij in de voetsporen treedt van de extreem-rechtse mentor van Wilders, Bat Ye’or, die met haar boek Eurabia het schrikbeeld oproept van een geïslamiseerd Europa.

Hoewel Gerstenfeld ‘Nederlandse Nederlanders’ niet spaart, vormen moslims als groep het belangrijkste doelwit. Zij vertegenwoordigen het nieuwe Kwaad en zullen de lont ontsteken van een nieuwe Holocaust. Is, zo vraagt de auteur, na het verbranden van Israëlische vlaggen „de volgende stap weer het verbranden van boeken en daarna van mensen?” In schrille kleuren schildert hij een toekomstig ‘Mohammed B. plein’, waar de Protocollen van de wijzen van Zion en Mein Kampf te koop zullen zijn en waarheen „de PvdA sprekers stuurt om uit te leggen hoe internationaal recht selectief tegen Israël toegepast moet worden”.

Aanvankelijk bleef het – behalve in De Telegraaf, die het boek op 20 november grootscheeps lanceerde onder de kop ‘Jodenhaat in de Polder’ – stil rond Het Verval. Het was alsof niemand zin had zijn vingers eraan te branden. Totdat dagblad De Pers op 6 december het boek, en daarmee een alarmistisch en demagogisch beeld van het antisemitisme in Nederland, in het centrum van de aandacht wist te katapulteren, onder de kop ‘Bolkestein: ‘Joden, emigreer!’ ’

Daarna bevestigde voormalig VVD-leider Frits Bolkestein alle kernpunten uit Gerstenfelds pamflet – de angst voor een nieuwe Holocaust, het onafwendbare gevaar van een groeiende Marokkaanse en daarmee antisemitische bevolkingsgroep, de onmacht en onwil van de Nederlandse overheid en in het bijzonder van ‘links’. In zijn onvoorwaardelijke steun aan Israël knoopte Bolkestein ook aan bij een andere rode draad in Het Verval – demonisering van de Palestijnen, tegenover de onschuld van een getergd en geïsoleerd Israël.

Gerstenfeld is verbonden aan het Jerusalem Center for Public Affairs, dat zich richt op Israel’s security needs and international standing. Hij is het prototype van wat Hertzberg een ‘professionele anti-antisemiet’ noemt. Tussen Gerstenfelds clichébeeld en het tegenovergestelde, dat van Palestijnen als heilige verschoppelingen en Israël als schurkenstaat, ligt een wereld aan nuances en tegenstrijdigheden. In Het Verval is daarvoor geen plaats. Omschrijvingen van een Palestijnse gemeenschap die wordt gekenmerkt door een „uitzonderlijke ideologische criminaliteit” staan tegenover typeringen van Israël als simpelweg een „strijdbare Joodse staat”.

Job Cohen is op tweeërlei wijze kop van Jut voor Gerstenfeld. Als leider van de PvdA – de partij die volgens Gerstenfeld in Nederland voorop loopt als ‘vaandeldrager van Eurabia’ – en als Jood. In zijn typering van Cohen als Jood gebruikt Gerstenfeld antisemitische stereotypen. Daarmee getuigt hij van een vorm van Joodse zelfhaat.

Gerstenfeld redeneert volgens een gangbaar, stereotiep patroon: er zijn goede en er zijn slechte Joden. Hij weet dat hij en de zijnen behoren tot de eerste categorie. Zij zijn alert, strijdbaar, moedig en vooral Joods. Cohen, daarentegen, gaat door voor een „Jood zonder Joodse inhoud”, een „onderduikjood”. Hij leidt een partij die met „moslimpropagandisten van massamoord op Joden” – Hamas – wil praten. Dat het antisemitisme in Amsterdam in de 21ste eeuw is toegenomen, is „een erfenis van Job Cohen”, die „kind aan huis” leek te zijn in moskeeën en daarentegen pas na jaren een synagoge bezocht.

Cohen wordt dus gestereotypeerd als een laffe, verraderlijke, zelfhatende, niet-Joodse Jood.

Wat Gerstenfeld doet, is het reproduceren van de oude, antisemitische stereotypen waartegen het zionisme zich heeft afgezet en die het tegelijkertijd deels heeft verinnerlijkt. Tegenover de vernederende ‘gettomentaliteit’ van Joden die de blikken van de niet-Jood ontweken om moeilijkheden te voorkomen, stelde de zionistische beweging de Nieuwe Jood, die met opgeheven hoofd over straat ging, eigenhandig het land bewerkte en het geweer opnam tegen de vijand.

Wilders gebruikt dezelfde tweedeling – niet alleen ten aanzien van Joden of Israël, maar ook in zijn antimoslim- en anti-establishmentretoriek. Voor Gerstenfeld is ‘de boel bij elkaar houden’ gettotaal. Hij wil ‘oorlog’. Wilders ook.