De muizenmummie

H.J. A. Hofland verzamelt graag dode torren, sprinkhanen, duizendpoten en andere dode beestjes. Hij dacht dat hij een nieuwe uitgewriemelde aanwinst had voor zijn collectie.

Het gaas voor de nieuwe hordeur waarmee ik ons in dit warme land tegen de muggen moest beschermen, was verpakt in een lange kartonnen doos. Als geoefend doe-het-zelver zou ik alles eigenhandig in elkaar zetten. Ik maakte de doos open, trok het gaas eruit en daarbij viel er een donkergrijs, wollig propje op de grond. Ik bekeek het nader. Een dode muis, met een spits kopje en een lange staart om het lichaampje. Ik bekeek het onder het vergrootglas dat ik altijd bij me heb. Nee, het was niet zomaar een dode muis, het was een muizenmummie, een verdroogd, verdord zoogdiertje. Een zielige aanblik maar ook een buitenkans!

In Amsterdam heb ik een kleine verzameling dode insecten, torren, sprinkhanen, kakkerlakken, een duizendpoot en een schorpioen, allemaal zelf gevonden en opgeborgen in doosjes van doorzichtig plastic, overzichtelijk uitgestald. Een dode-dierentuin. Deze muizenmummie was een kostbare aanwinst. Hij of zij ging in een doosje en nadat ik weer in Amsterdam was in een mooi plastic sarcofaagje. De muis kreeg een ereplaats in de uitstalling. Iedere ochtend bekeek ik deze aanwinst met voldoening, en en passant verdiepte ik me even in de vergankelijkheid.

Op een vroege ochtend, na de gebruikelijke stille begroeting keek ik wat scherper. Bewoog daar iets? Niet mogelijk. Al maanden geleden had ik dit doosje met bisonkit hermetisch dicht gelijmd. Maar voor alle zekerheid toch nog wat beter gekeken, en ik had me niet vergist. Daar liepen achter elkaar drie lichtgrijze beestjes en het vierde was bezig, zich uit de linker oogspleet te worstelen. Vergrootglas erbij. Ze waren tussen de twee en drie millimeter, hadden allemaal zes poten, een geribbeld rugpantsertje en minuscule voelsprieten. Onmiskenbaar insecten.

Hoe waren die daar gekomen? Had hun moeder maanden geleden haar eitjes in het toen nog verse muizenlijkje gelegd? Waren daar de larven uitgekomen, hadden die zich daar dik en rond gegeten, tot ze in volwassen insecten waren veranderd? Dan was daarna de hongersnood ingetreden want in dit verdorde lichaampje viel volgens mij niets meer te eten of te drinken. Door gebrek gedwongen had de sterkste zich naar buiten gewaagd, gevolgd door de anderen. Nu wriemelden ze daar radeloos rond.

Wat te doen? Die beestjes bevrijden? En wat dan? De vrije natuur van Amsterdam in, waar ze een wisse dood tegemoet gingen? Of dit gezelschap met rust laten, dat wil zeggen ze van honger en dorst laten creperen? Met enige tegenzin heb ik voor het laatste gekozen. Een paar dagen geleden heb ik het doosje weer geïnspecteerd. Hadden de insecten beschutting gezocht in het muizenvachtje? In ieder geval, er was geen spoor van leven meer te zien.

Is dit een weerzinwekkend verhaaltje? Het is een kleine reportage uit de Schepping.