Colleges in vijf bedrijven

Marita Mathijsen

Ik heb ooit eens aan een vriend uitgelegd dat ik mijn colleges probeer op te bouwen als een drama van Shakespeare. Hij kwam uit de journalistiek en had een benoeming als bijzonder hoogleraar gekregen. Het leek hem moeilijk de aandacht van een honderdtal studenten vast te houden in een hoorcollege. Ik wilde hem bemoedigen, dus blufte ik over hoe je de spanning kunt vasthouden door de studenten meteen te laten voelen dat er een tragedie op komst is. Die moet zich ontwikkelen tot hartstochtelijke hoogten waarbij negatieve en positieve krachten elkaar bestrijden. Even na de helft van het college moet de uitbarsting komen, waarbij de eerste slachtoffers vallen. Het drama moet zich dan onafwendbaar afrollen totdat er overal lijken liggen.

Ik bedacht het model ter plekke, om mijn vriend een houvast te geven, maar ik realiseerde me tegelijkertijd dat het inderdaad de beste manier is om een hoorcollege voor te bereiden. Ga maar uit van een drama dat zich gaat voltrekken. Je kunt er zelfs de opbouw van het klassieke drama in vijf bedrijven voor aanhouden. Dat begint met een expositie waarin wordt uitgelegd wat er voorafgegaan is aan het tijdstip waarop het stuk begint. Dan volgt de intrige, waarin een conflict uit de doeken gedaan wordt. Het publiek voelt de spanning opkomen. In de derde akte, die van de climax, wordt de spanning tot het snijdende hoogtepunt opgevoerd. Dan volgt de catastrofe: de spanning is op zijn hoogst maar de noodlottige ontknoping dient zich aan en die leidt tot het vijfde deel: de peripetie waarin de hoofdpersonen tot inzicht komen van wat er verkeerd gegaan is. Het drama speelt zich af tussen protagonisten en antagonisten, en daarnaast zijn er tritagonisten die onbedoeld of juist opzettelijk de strijd aanwakkeren of die proberen de vijanden te verzoenen, vaak met averechts gevolg.

Hoewel Shakespeare niet geldt als een schoolvoorbeeld van het klassieke drama, verlopen zijn stukken wel volgens hetzelfde model. Bij Romeo en Julia bijvoorbeeld: eerst is er de kennismaking met twee rivaliserende bendes, dan volgt de intrige waarin duidelijk wordt dat twee leden uit vijandige kampen verliefd op elkaar worden. Het publiek voelt dat dit fout zal gaan. De climax volgt met het geheime huwelijk van Romeo en Julia. Maar dat is nog maar net voltrokken of de catastrofe dient zich aan: de bendes raken slaags en Romeo doodt een tegenstander. Dan volgt de tragische peripetie met de schijndood en dubbele zelfmoord.

De opbouw van spanning kan elke docent leren bij Shakespeare.

Hoe zou dat in een letterkundig college toegepast kunnen worden? Stel dat ik een college over de Tachtigers in Nederland geef. Ik kan de opkomst en neergang inderdaad in vijf fasen verdelen, waarbij ik naar de climax en de catastrofe toe kan werken. Als protagonist voer ik de Tachtigers op, als antagonist de domineedichters. Het tijdsdrama begint met de expositie. Aan de Tachtigers gingen de schrijvers vooraf die literatuur zagen als een middel om de maatschappij volgens hun inzichten te verbeteren: de domineedichters. Zij hebben de hegemonie in de literatuur, zij sluiten jongeren met andere opvattingen buiten. Hun tijdschrift De Gids wijst poëzie van jonge alternatieve schrijvers af. Deze uitgesloten jongeren vinden elkaar in Amsterdam. Ze willen af van de dienstbare kunst, ze willen kunst om de kunst zelf, ze willen nieuwe tijdschriften, nieuwe versvormen. De beginpositie is daarmee duidelijk. Dan krijgen we de intrige. Een van de jonge dichters, Jacques Perk sterft aan de tering. Hij laat een vracht ongepubliceerde gedichten na. Zijn geestverwant en vriend Willem Kloos geeft die gedichten uit met een magistrale voorrede. Hij pepert de oude generatie in dat ze vergane monumenten uit het verleden zijn, die braaf dichten over het dagelijks leven, en versjes maken die het goed doen bij begrafenissen en trouwpartijen. Maar voor hem en zijn vrienden gelden andere normen: ‘De poëzie is geen zachtoogige maagd, die, ons de hand reikend op de levensbaan, met een glimlach leert bloemen tot een tuiltje te binden’. Hij ziet de dichtkunst als ‘eene vrouw, fier en geweldig, wier zengende adem niet van ons laat’. Daarmee staat er een muurvaste intrige, en nu moet ik naar de climax toe werken. Die is er in 1885 als De Nieuwe Gids opgericht wordt, met Kloos als voornaamste redacteur. Het is het brutale antwoord van de jongeren op het tijdschrift van de elite, De Gids. In de naamgeving zelf bespotten ze de literaire bovenlaag. De vijandelijkheden worden in hetzelfde jaar ten top gevoerd als Kloos en zijn vriend Albert Verwey een boekje uitgeven dat als een valkuil opgezet is. Stijl en inhoud sluiten aan bij wat op dat moment in de smaak valt bij de oudere garde. Het dichtbundeltje wordt opgestuurd naar oude recensenten, die het een aanrader vinden. Dan volgt de catastrofale vadermoord: Kloos en Verwey openbaren dat zij Julia op een regenachtige middag in elkaar geflanst hebben, en ze schrijven een vernietigend commentaar op het hele vaderlandse literatuurbedrijf. Frederik van Eeden maakt het karwei af met de verzenbundel Grassprietjes, waarin hij de domineedichters voor paal zet. De lijken zijn gevallen. In het laatste deel van het college laat ik zien dat de triomf maar kort duurde. De Tachtigers zelf kregen ruzie onderling, ze bleven geen aanhangers van de kunst-om-de kunst-theorie. Ze kwamen tot bezinning. Oude vrienden van Kloos richtten nieuwe tijdschriften op tegen De Nieuwe Gids dat een eenmanstijdschrift werd van de vroeg uitgebluste Kloos.

Zou het Shakespearemodel bruikbaar zijn voor hoorcolleges en lezingen in elk vak? Bij geschiedenis gaat het om veranderingen: hoe het ene regime of de ene ideologie de andere verdringt. Datzelfde geldt bij letterkunde. Alles kan in termen van vadermoord: King Lear en Oedipus waar je ook maar kijkt. Zelfs een interpretatie van een roman of gedicht kan gepresenteerd worden als een strijd tussen verschillende analyses. Zouden bètavakken ook in dramatische scènes ondergebracht kunnen worden? Is het gevecht van een virus om bezit te nemen van een lichaam te vergelijken met het meedogenloze gevecht van Macbeth om de macht? Overwint het virus in het derde bedrijf, en delft de medicus het onderspit die met al zijn krachten en al zijn kennis geprobeerd heeft het kwaad tegen te houden? Of overwinnen toch de antibiotica in combinatie met de sterke genen van de aangevallene? Kan een hoogleraar in de sterrenkunde de raadsels van het heelal in een Shakespeareaanse opbouw overbrengen? De economiedocent heeft met de kredietcrisis toch perfect dramatisch materiaal in handen om te laten zien wat er van economische begrippen terecht komt in de echte wereld. Juridische en sociologische kwesties lenen zich er ook wel toe, denk ik. Elke wetenschappelijke kennis is opgebouwd uit argumenten voor en tegen, en die kunnen altijd in een dramatische opbouw gezet worden. Maar het werkt natuurlijk lang niet altijd. Ik heb niet de illusie dat ik een college over verteltechnieken van een Shakespeareaanse spanning kan voorzien.

Misschien is het al voldoende als een college opgebouwd is als een goocheltruc. Volgens de film The Prestige bestaat die uit drie delen. Eerst laat de goochelaar iets gewoons zien, een hoge hoed. Dan is er de wending, waarin de goochelaar het gewone ongewoon maakt. Er zit een konijn in de lege hoed. Vervolgens, in het derde deel, is de hoed weer leeg. Als een docent dat derde deel nu eens weglaat, en het houdt bij het ongewoon maken van het gewone, zou dat niet al voldoende zijn?

Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.