Alleen nog stemmen, dan mag ik sterven

Grootste land in Afrika verdwijnt

Morgen stemt Zuid-Soedan over afscheiding van het gearabiseerde Noorden. William Mabior (81) beleefde alle oorlogen sinds 1955. Een terugblik.

De hemel gaat vanaf morgen voor William Amoi Mabior open. „Vijftig jaar lang werd ik geteisterd door oorlog en terreur en toch bleef de hemeldeur gesloten. Want God gaf mij een bestemming, ik moest mijn bijdrage leveren aan de bevrijding van mijn land. Na morgen te hebben gestemd voor onafhankelijkheid van Zuid-Soedan, mag ik sterven.”

De geschiedenis van het in 1955 begonnen conflict tussen het gearabiseerde Noord-Soedan en het niet islamitische, zwarte zuiden is ook het levensverhaal van William Mabior. „Ik ben een onderwijzer, geen soldaat. Er zijn vele manieren om te vechten”, zegt de 81 jaar oude William. Lang geleden had hij een droom, die steeds weer terug kwam en zijn leven ging bepalen.

William zat op een lang rieten schip op de Nijl, volgepakt met kinderen. Hij roeide, samen met een Noord-Soedanees gekleed in het voor het noorden typische lange gewaad,de jalabiya. De boot legde aan bij een dorpje en de kinderen kregen eieren van de dorpelingen. Maar ze moesten alle eieren leggen in de schoot van de jalabiya, de kinderen ontvingen niets. De boot voer verder, ouderen aan de oever smeekten tevergeefs om een lift, alleen de kinderen mochten mee. Tot de boot met een grote schok op een zandbank liep. „Ik schrok wakker. Sindsdien zingt er slechts één gedachte in mijn hoofd: wat moet er van de kinderen worden?”

Zijn hele leven wijdde William aan onderwijs en zorg voor kinderen. Omgeven door zijn zonen, dochters en wezen vertelt hij op zijn eenvoudige erf in het stadje Aweil zijn verhaal. Hij toont foto’s van gestolen, ontvoerde en gedode kinderen. En van Salva Kirr, president van Zuid-Soedan. Allemaal zaten ze bij hem op school of in zijn weeshuis in de deelstaat Bahr el Ghazal, een grensgebied met het noorden waar de verschrikkingen van de oorlog het hevigst waren.

Toen in 1955, een jaar voor de onafhankelijkheid van Soedan, zuidelijke soldaten in het stadje Torit rebelleerden tegen hun noordelijke collega’s, volgde William onderwijs in Maridi. „In de straten braken gevechten uit, de kogels vlogen ons om de oren. We begrepen er nog weinig van, maar vanaf dat moment wist ik wel dat er iets heel erg fout was in mijn land.” De scholen in het zuiden gingen dicht wegens het geweld en William verhuisde naar de noordelijke hoofdstad Khartoum. In 1962 keerde hij terug als onderwijzer, in het gehucht Akon. „Daar ontmoette ik een jochie met de naam Salva Kirr. Een goede en slimme leerling”.

De eerste rebellie, geleid door de beweging Anyanya (slangengif), was toen al begonnen. „Mijn leerlingen sloten zich bij de opstand aan en verdwenen met heel weinig spullen naar de bush. Uit wraak doodden de Arabieren vele zuiderlingen in de steden. Ze zetten me een week lang in het gevang omdat ik een rebel zou zijn. Inderdaad, ik sympathiseerde met de Anyanya, maar God had een andere bestemming voor mij.”

De pogingen Zuid-Soedan te arabiseren en te islamiseren, bereikten een dieptepunt in 1962 toen de president, generaal Aboud, alle christelijke missionarissen Zuid-Soedan uitstuurde. „De kerken zijn geweldig belangrijk voor ons, want ze verzorgden al het onderwijs. Na de uitwijzing sloeg de chaos toe en nam de rebellie grote vormen aan. De onderwijssector heeft zich nooit meer hersteld na de maatregelen van Aboud, Zuid-Soedan is een land van analfabeten geworden.”

Zondag als rustdag werd afgeschaft en de Zuid-Soedanezen moesten een jalabiya dragen. De oorlog verhevigde, instabiliteit en staatsgrepen bepaalden de politiek. Tot er in 1972 met een akkoord over autonomie voor het zuiden een rustperiode aanbrak. Het Noord-Zuidconflict staat bol van verraad en geschonden overeenkomsten, tussen de rebellen onderling en tussen de overheid en de zuidelijke opstandelingen. In 1980 begon president Numeiry eenzijdig de grenzen tussen Noord en Zuid te wijzigen, opdat de ontdekte olievelden bij het noorden gingen horen. De autonome status van Zuid-Soedan trok hij in. Opnieuw trokken jongeren de bush in en in 1983 begon met een militaire opstand in Bor geleid door John Garang de tweede ronde van de oorlog. Toen enkele maanden later de regering in Khartoum voor het hele land het islamitische strafrecht sharia invoerde, raakten de haatgevoelens onder de zuiderlingen tegen „de Arabieren” oververhit. De bereidheid tot compromissen ging verloren.

William toont de gaten in zijn gebit, de tanden die eruit geslagen zijn tijdens gevangenschap. „Ze martelden me, noemden me een domme dorpeling. Ik was geen moslim en kon dus nooit leraar zijn.” In 1998 woedde niet alleen een hevige oorlog in Bahr el Gazal, maar had ook een hongersnood toegeslagen, mede als gevolg van gevechten binnen het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA) van John Garang. „De inwoners van Aweil wachtten op de dood. Kinderen kregen opdracht kinderlijkjes te verzamelen en te begraven. Ik zag twee kinderen huilen, bracht ze naar de kerk en ging naar huis. Die nacht droomde ik weer over de boot. Maar dit keer droomde ik verder en zag hoe alle kinderen bij mij kwamen.” In de ochtend leverde een pater twee kinderen bij hem af. Dat was het begin van het weeshuis van William Amoi Mabior.

In de grensgebieden zette de regering in Khartoum gearabiseerde stammen in om tegen de zuidelijke bevolking en de rebellen te vechten. Ze ontvoerden kinderen die in de huishouding van noorderlingen moesten werken. „De situatie was onhoudbaar geworden, ze wilden me mijn wezen afnemen. Elke week arresteerden ze me. Er bleef me geen andere keuze.” Op een nacht in 1998 vertrok hij met zijn hele weeshuis de bush in. „Ik sloeg een geweer over mijn schouder.” Hij was al te oud om te vechten, maar 27 van zijn wezen werden soldaat in het SPLA.

Na het vredesakkoord van 2005 keerde hij terug in Aweil. „In ons hoofd woedt nog steeds de oorlog. Iemand die uit de bush komt, wil alleen de mensen uit de bush zien.” Met spijt spreekt hij over de Zuid-Soedanezen die naar Amerika en Europa vluchtten. Ze keren in een straatarm en voor hen vreemd land terug, goed opgeleid, maar gekneed in het rijke Westen. Ze komen niet aan de bak. „Waar was je tijdens de oorlog”, krijgen ze verwijtend te horen van de ex-SPLA-strijders, nu bestuurders. „Het waren geen verraders en we hebben ze nu hard nodig. De goede dingen liggen onder het gras. Het gras is te hoog gegroeid door de oorlog en alleen goed opgeleide mensen weten nog waar de goede dingen te vinden zijn.”

De zon verdwijnt achter de horizon en een bevrijdend briesje verdrijft de hitte. Zelfverzekerde en in strakke broeken gestoken meisjes komen William groeten. In het nog uiterst traditionele Zuid-Soedan vormen zij een doorn in het oog van velen. Maar William wil voor hen zorgen. „Vrouwen lopen achter, ze hebben onderwijs nodig. Als man en vrouw beiden naar school gaan, wordt hun gezin gelukkiger.”

Hij raakt geëmotioneerd en wrijft onder zijn zonnebril die zijn bijna blinde ogen moet verbergen. „Nog niemand heeft mijn levensverhaal willen opschrijven.” President Salva Kirr kon zich nog wel zijn rol voor de bevrijding van Zuid-Soedan herinneren. „Hij riep me vorig jaar naar de Zuidsoedanese hoofdstad Juba. Hij gaf me een auto cadeau. Helaas, ik ben nu te oud om er in te kunnen rijden”.