Adieu Coen

De uitvaart van Coen Moulijn zal indrukwekkend zijn. Alles aan Rotterdam is indrukwekkend: bruggen, haven, de Kuip, de Coolsingel. Altijd die flair van vooruitgang, soms zelfs in een decor van industriële archeologie. Een helse stad, ook in het rouwen. Pim Fortuyn weet er alles van. Zijn laatste ondermaanse gang liep uit op een pandemonium van rouwbeklag. Bergen boeketten en applaus verstrooid over de lijkwagen. En nog veel meer lyriek op het ‘moderne veld van dood & eer’.

Zo hysterisch zal het vandaag hopelijk niet worden. Maar de galm You’ll never walk alone zal nog dagenlang door de stad zinderen. Het legioen weet wat zingen is. Al helemaal nu de club erbij hangt als een uitgewoonde erfenis. In zekere zin neemt Coen Moulijn het grote Feyenoord mee het graf in.

Straks heeft de aflijvige een straat, een plein, een wolkenkrabber die zijn naam dragen. Een standbeeld had hij al, zij het dat hij er zich maar matig in kon herkennen. Het was ook een onmogelijke opdracht: hoe vang je, in godsnaam, een bliksemschicht in brons? Om van zijn koninklijke dribbelkunst nog te zwijgen. Maak van een atoom maar eens een beeld.

Misschien was Coen Moulijn wel een geest.

Ik heb alle requiems gelezen. Met als constante: deze voetballer is een van de weinige volkshelden die geen voorschot op de eeuwigheid had genomen. Vandaar ook die modewinkel en de zelfverduistering op recepties en publieke bijeenkomsten. De fragiele schicht die altijd schicht wou blijven – zoiets. Alleen in hoge sociale nood van Feyenoord liet hij zich misbruiken als mascotte. Maar ook dan nam de ovationele liefde van de tribunes de verlegenheid niet weg. Moulijn droeg de club niet, en de stad droeg hem niet. Nu dan even wel, bij wijze van liturgisch momentum.

Coen Moulijn was tenslotte een antieke held.

Eigenlijk al jaren geleden uit de tijd gevallen. De genius van de dribbel aan de zijlijn, is in het verdere leven langs de zijlijn blijven staan. Een stil, welhaast verborgen leven. Van hem geen industrie van meninkjes, geen pompeuze analistentrucs, geen Beckham-taferelen. Oorbellen of tattoos? Hij moest er niet aan denken. Coen verdween liever in het gemeen, als een soort stationschef van het Oude Noorden.

De behoefte om verliteratuurd te worden heeft hij niet gekoesterd. Hij hoefde niet in de bladen, was geen quotezak. Misschien was zijn (overleden) zoon Raymond wel de enige echte toegang tot de wereld. Althans, hij maakte liefde persoonlijk. Verder bleef het gemoed van Coen Moulijn gesloten. Daarom niet mysterieus, maar wel met een slot op lach en traan.

Exhibitionisme was een vreemde mogendheid.

Dat kun je van hedendaagse voetballers niet zeggen. Alles moet nu mee de etalage in, vrouwen, maîtresses, kinderen, auto’s, goudwinkels. Een enkele keer, als het volk haastig vertederd moet worden, slepen ze zelfs een oude moeder mee de vliegtuigtrap op. Van de laatste generatie Feyenoorders deed Giovanni van Bronckhorst nog aan Coen Moulijn denken. Ook flankspeler. Weinig praatjes, geen verminkingen aan hoofd en oren, zonder affaires.

Zo onvoorspelbaar als hij in zijn meesterlijke timing op het veld was, zo gefiguurzaagd in alledaagsheid heeft hij de post coïtumnostalgie van het voetbal doorstaan. Een kwinkslag bij de vrienden kon er altijd af, maar in grotere gezelschappen stond hij meestal dicht bij de deur. Dromerig. De ogen verlangend naar ergens een warme rietkraag, niet naar mensenpraat.

Bij de plechtige voorstelling van Euro 2000 was hij aanwezig in de Kuip. Schilfer tussen hotemetoten van het Nederlandse voetbal die luidruchtig opkrulden in een Blatterswing. Michel D’Hooghe, Harry Been, Jeu Sprengers, de Harry van Raaijs van deze wereld… ze zagen Coen Moulijn niet eens staan. Ik vroeg hem in een verloren moment of hij enige verwantschap voelde met het ereterrasvolkje. Hij zei droog: ,,Voetbal is niet iets van bovenaf, meneer. Ik heb nooit hogerop gekeken – daar had ik de tijd niet voor.” Hij gaf me een lange, warme hand en verdween met de woorden: ,,Ik moest maar eens aan het werk.”

Het silhouet Coen Moulijn.

Hij had het onzegbare van ouwe wielrenners over zich. Het spreken verleerd, bijna. Bij zijn dood moest ik aan André Darrigade denken. Sprintkanon in de Tour de France, jaren vijftig, zestig. Na zijn laatste wedstrijd hoorde niemand hem nog. Een tijd geleden zag ik hem staan: geheel teruggeplooid in de perkamenten ruis van zijn schitterende kranten- en boekenwinkel in Biarritz. Ruis van eeuwigheid: ik denk dat Coen Moulijn daar genoeg aan heeft.