'We werken overal in Afrika en hebben nooit iemand omgekocht'

Mediagigant Naspers is één van de meest succesvolle Zuid-Afrikaanse multinationals. Het bedrijf toont het nieuwe gezicht van Zuid-Afrika op de wereldmarkt: niet Europees en niet Amerikaans.

Koos Bekker, CEO van het Zuid-Afrikaanse mediaconglomeraat Naspers, staart even naar het plafond, glimlacht. De vraag was of je met sociale media geld kunt verdienen. Hij haalt zijn schouders op. „Ik heb werkelijk geen flauw idee”, zegt hij. „En niemand in ons bedrijf die het wel weet.”

Niettemin investeerde Naspers de laatste jaren fors in netwerksites in opkomende economieën. Via een belang van 28,7 procent in het Russische Mail.ru hebben de Zuid-Afrikanen indirect zelfs een bescheiden aandeel in Facebook.

„Natuurlijk verdienen we er wel iets aan”, zegt Bekker in de directiekamer die uitkijkt op de adembenemende skyline van Kaapstad. „Maar het blijft lastig manoeuvreren met advertenties: als Facebook een reclame van Coca-Cola op je profiel zet, dan zie je Coca-Cola snel als indringer in je privéomgeving.”

De internetinvesteringen van Naspers zijn onderdeel van een al langer lopende opmerkelijke transformatie: van officieuze spreekbuis van het apartheidsregime naar het grootste pan-Afrikaanse mediabedrijf en een van de grootste mediabedrijven in opkomende markten. (Zie inzet) In de leiding zitten niet meer alleen witte mannen.

De Zuid-Afrikanen zijn nu grootaandeelhouder in het Chinese Tencent Holdings, de op twee na grootste internetprovider in de wereld, en hebben belangen in de grootste internetfirma’s in Rusland, Thailand, India en Brazilië. „Zuid-Afrika alleen is maar 1 procent van de wereldeconomie. We hadden dus geen keus: wil je uitbreiden, dan moet je naar het buitenland”, zegt Bekker.

De eerste grote klapper buiten Afrika maakte Bekker in 1997 met de lucratieve verkoop van het Nederlandse Filmnet aan het Franse Canal+. In 1991 was Filmnet in Zuid-Afrikaanse handen gekomen en Bekker woonde die tijd in Nederland. Nog altijd heeft hij een vakantiehuis aan de Amstel. Dankzij de 2,2 miljard dollar van Canal+ – „veel te veel”, zegt Bekker nu – had Naspers „eindelijk genoeg vermogen om leuke dingen te gaan doen”.

De topman dicteert, hij wil een verhaal vertellen. Niet alleen over zijn bedrijf, maar ook over de verschillen tussen Zuid-Afrika en Nederland. „Nederlanders”, zegt hij, „doen altijd net iets minder dan waarvoor ze zijn opgeleid en Zuid-Afrikanen altijd net iets meer. Was dokter Chris Barnard een Nederlander geweest, dan had hij nooit de eerste harttransplantatie uitgevoerd. Wij zijn roekelozer, hebben meer een pioniersgeest.”

Naspers, meent Bekker, is nauwelijks meer een Zuid-Afrikaans bedrijf en heeft formeel ook geen vast hoofdkwartier – al is het topmanagement, dat in Kaapstad zetelt, nog vrijwel volledig Zuid-Afrikaans. Dat verklaart, volgens hem, het succes, ook tijdens de afgelopen recessie.

„Zuid-Afrika is te klein om als hub te kunnen functioneren. De ene keer vergaderen we in São Paulo, de volgende keer in Londen of Shanghai. Dat is psychologisch van belang. We richten ons op opkomende markten en dan moeten we die markten ook goed leren kennen. Als we een Amerikaans bedrijf waren geweest, dan hadden we in San Francisco gezeten en waren we elkaar altijd maar weer in San Francisco tegengekomen. Wij bekijken de wereld niet vanuit een Amerikaans of een Europees perspectief.”

Maakt dat werkelijk verschil?

„Ja, zeker. Een Amerikaans bedrijf gaat er snel van uit dat iedereen een creditcard of minstens een bankrekening heeft. Omdat wij alleen al met betaal-tv in 48 Afrikaanse landen actief zijn, hebben we leren omgaan met andere manieren van betalen. Met contant geld dus. In Nigeria staan op vrijdagmiddag rijen mensen met bruine envelopjes in de rij bij ons kantoor om het tv-abonnement te betalen. Onze systemen zijn daarop berekend.”

Dat is vooral praktisch. Denkt u als Zuid-Afrikaans bedrijf die opkomende markten beter te begrijpen?

„Ik groeide op onder de apartheid, waar de verschillen tussen culturen juist werden benadrukt, maar in wezen zijn alle mensen hetzelfde. Iedereen wil een leuke partner, een goede school voor zijn kinderen, een fijn huis en af en toe een mooie vakantie. De verschillen tussen culturen zitten in kleine details, maar omdat de mens overal hetzelfde wil, kunnen we zaken doen in 129 landen.

Natuurlijk helpt het dat we uit Zuid-Afrika komen. Dit land is als een tot inkeer gekomen alcoholist: alles wat met ras te maken heeft, ligt gevoelig, waardoor de tolerantie voor dingen die anders gaan dan je gewend bent bij ons nu zoveel groter is. Omdat er zo veel aan ons verleden kleeft waarvoor we ons moeten schamen, zullen we niet zo snel naar een land gaan en onze wil opleggen. We doen cultureel sensitief zaken.”

Op welke culturele details doelt u?

„Neem bijvoorbeeld internetdating. Daarin zijn we vrij actief. In de Verenigde Staten is het datingcircuit een nogal gevaarlijke omgeving, waarin volwassenen elkaar permanent wantrouwen. De 24-jarige blonde New Yorkse blijkt bij nader inzien een 34-jarige accountant uit Illinois. In Thailand gaat het volstrekt anders. Jonge mensen geven zich daar helemaal bloot op het web: ze vertellen hun bloedgroep, de namen van hun huisdieren en zetten zelfs met het grootste gemak hun mobiele nummer online. Ouders bemoeien zich nergens mee. In India is het weer compleet anders: daar zet de vader een advertentie op de site om zijn 23-jarige dochter aan te prijzen. In India moet je je datingsite dus meer inrichten als eBay. Begin je vanuit een westers idee met een datingsite in India, dan loop je vast.”

Dit bedrijf was de spreekbuis van de apartheid. Is dat internationaal niet lastig opereren?

„Nee, niet meer. Wij doen in elk land bezuiden de Sahara zaken en iedereen accepteert ons. Zuid-Afrika is al zestien jaar een gewoon land. Het is juist opmerkelijk om te zien dat Zuid-Afrika bijna overal in de wereld geaccepteerd wordt. We hebben weinig vijanden, ook niet in het Midden-Oosten. Van Zuid-Afrika heeft niemand iets te vrezen.”

Maar het is pikant dat juist zo’n bedrijf nu zoveel succes heeft. Alsof de ‘Pravda’ het na de val van het communisme commercieel wint van The New York Times.

„Veel bedrijven met een lange geschiedenis veranderen mee met een samenleving, net als Philips in Nederland. Naspers heeft twee wereldoorlogen en apartheid meegemaakt, maar we zijn lang voor het officiële begin van de apartheid opgericht. In de jaren zeventig waren we nog wel deel van het establishment, maar ik denk dat we via onze kranten vanaf de jaren tachtig een rol hebben gespeeld in het voorbereiden van het publiek op de grote veranderingen. Inmiddels kunnen veel jonge mensen zich in Zuid-Afrika niet meer voorstellen hoe dit land er tijdens de rassenscheiding uitzag.”

Is het Afrikaans, waaraan Naspers zijn bestaan dankt, nog belangrijk?

„Nee, niet echt. Commercieel is ongeveer 5 procent van onze activiteiten in het Afrikaans, onze grootste talen zijn tegenwoordig Mandarijn en Portugees. Maar veel van onze directeuren spreken nog wel Afrikaans. Naspers is nu een apolitiek mediabedrijf met ongeveer 40.000 aandeelhouders, waarvan er veel in het buitenland wonen. Voor hen zijn onze Afrikaanstalige kranten niet meer interessant, dus als iemand ze kopen wil, gaan ze meteen weg. Maar niemand die tegenwoordig nog een krant wil kopen.”

Kun je überhaupt met gedrukte media nog geld verdienen?

„Kranten vervullen een cruciale rol in de democratie, maar niemand wil ervoor betalen. Internet is volstrekt onbruikbaar voor analyse. Het web moedigt mensen vooral aan om particuliere excentriciteiten te openbaren, objectieve analyse vind je niet. De meeste goede internetsites komen wereldwijd nog altijd van dagkranten en het zijn die kranten die corruptie en andere misstanden naar buiten brengen. Het is onze verantwoordelijkheid als samenleving om kranten te behouden, maar hoe dat moet zou ik niet weten. Hier in Afrika kunnen we door slechte internetverbindingen nog wel een paar jaar geld verdienen met gedrukte media, maar op de lange termijn is geen enkele krant economisch levensvatbaar.”

U hebt zich vaak publiekelijk uitgesproken tegen ontwikkelingshulp.

„In Afrika wordt meer geld gestolen dan er binnenkomt door de hulp, en ontwikkelingshulp is een plaag die corruptie bevordert. Een burger in een willekeurig Afrikaans land voelt zich niet verantwoordelijk voor het geld dat zijn chief heeft gekregen van Sarkozy om een weg aan te leggen. Dus kan die chief het contract makkelijk aan zijn neef geven en niemand die daar om maalt. Hulp haalt bovendien het zelfvertrouwen en eigen initiatief uit Afrika weg. Door het WK voetbal hebben we in Zuid-Afrika laten zien dat we in staat waren zelf iets te doen. Je zou de internationale hulp moeten stoppen en de handel verder moeten liberaliseren. Zuid-Afrika maakt al honderden jaren sherry, maar die mogen we niet in Europa verkopen omdat de handelsministers hun markten beschermen. Ondertussen probeert Europa met ontwikkelingsgeld Afrika te ontwikkelen. Dat klopt niet.”

Maar de corruptie waarover u spreekt is ook een probleem in de handel.

„Wij werken overal in Afrika en we hebben nog nooit iemand omgekocht. Mochten wij zoiets ontdekken, dan wordt de werknemer op staande voet ontslagen en aangegeven bij de politie. Het probleem is dat omkoping nooit bij één deal ophoudt: je geeft eerst één beambte geld en daarna komt zijn broer en dan zijn neef. Veel Europese bedrijven zijn in Afrika bij dubieuze deals betrokken geweest omdat Europeanen denken dat het zo werkt in Afrika. Maar je wil niet weten hoe snel je bedrijf verliesgevend is als je hiermee begint.”

Afrika wordt soms gezien als de ‘last frontier’ in de wereldhandel. Deelt u dat idee?

„Politiek en economisch bestuur gaat in Afrika elk jaar een klein stapje vooruit. Het grote debat in de jaren zeventig ging over socialisme tegenover kapitalisme, maar dat debat is nu voorbij: alle economieën in Afrika zijn min of meer open. De regels verbeteren, het overheidstoezicht wordt sterker. Maar als je hier wilt investeren, dan moet je vooral nooit denken dat Afrika één geheel is. Dat hebben wij wel geleerd.”