Verstild door de sneeuw

Soms zijn dromen geen bedrog. Net als mijn Gollandija bleek Nederland een dynamische, rusteloze wereld te zijn.

Fietsen trapten tegen de wind in, metershoge golven bestormden kilometerslange dijken, de wind gunde de wieken van de molens geen seconde rust en ik kwam geregeld Vliegende Hollanders tegen die maar geen stille haven konden vinden.

Om Nederland te veroveren, moest ik tot zijn wezen zien door te dringen. Het doorvoelen. Er innig mee worden. Dus tegen de Reviaanse wind leren fietsen!

Hoe vaak ondernam ik niet uit vrije wil zo’n marteltocht, niet zelden gepaard met regendruppels. Dubbelgevouwen over het stuur, hijgend en met ongezonde hartkloppingen trotseerde ik Nederland. Ik moest en zou een lacune in mijn algemene ontwikkeling opvullen. Karakter krijg je niet cadeau.

Dat innige contact, waarna ik vaak verregend en met trillende benen mijn huis bereikte, bleek een wederzijdse verkenningstocht. Hoe had ik er zonder de Nederlandse wind ooit achter kunnen komen dat ik een onverbeterlijke calvinist was?

Maar dan valt de sneeuw. Als de wind het lichaam is van Nederland, en de regen het bloed, dan is de sneeuw zijn ziel. Dan is het ook niet zo gek dat het hier maar zelden sneeuwt. Met de ziel kun je maar beter niet te vaak onder je arm lopen.

Al moeten de Hollanders niet veel van metafysica hebben, ze ontkomen er niet aan. Opeens zijn we geen slaven van versnelling en efficiency, maar kinderen van de tijd die de wereld met een dun patina bedekt. Of is de sneeuw juist de buitentijd die ons, gejaagd door de wind, doet verstillen?

Er wordt gelanglauft in het park, iemand maakt een sneeuwpop, kinderen worden op sleetjes getrokken. Aangeraakt door de sneeuw komen de vier zintuigen tot rust. De ziel ontwaakt. Dan valt het woord ‘erwtensoep’.

De metafysica is compleet.

Sana Valiulina (Tallinn, Estland, 1964) studeerde Noorse taal- en letterkunde en woont sinds 1989 in Amsterdam. Ze debuteerde met ‘Het Kruis’ (2000).. Vorig jaar verscheen ‘Honderd jaar gezelligheid’.