Van luchtbel naar lobbycratie

Verandert het kapitalisme na de crisis? Dat zeker, maar niet steeds zoals je zou wensen, schrijft hoogleraar financiële markten Arnoud Boot op basis van een stapeltje analyses.

Girl with gum on her face. Jupiterimages

Ha-Joon Chang: 23 Things They Don’t Tell You about Capitalism. Penguin, 287 blz. € 20,– Vertaald door Ed Lof als 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme. Nieuw Amsterdam, 304 blz. € 19,95

Anatole Kaletsky: Capitalism 4.0. The Birth of a New Economy. Bloomsbury, 249 blz. € 19,90

Robert Reich: Aftershock. The Next Economy and America's Future. Knopf, 174 blz, € 24,–

George Soros: Succes in tijden van crisis. Hoe blijf je overeind in woelige tijden. Vertaald door Joris van Bladel. Contact, 207 blz. € 18,95

Zal de financiële crisis uiteindelijk een rimpeling in de vijver blijken, of is zij toch symptoom van een tekortschietend kapitalisme? Vier boeken over de toekomst van dat kapitalisme betogen het laatste. De linkse intellectueel Robert Reich, minister van Arbeid onder Clinton, de Cambridge- onderzoeker van Zuid-Koreaanse herkomst Ha-Joon Chang, George Soros (een van de succesrijkste beleggers van onze tijd), zelfs de meer conservatieve intellectueel – en voormalig Financial Times-editor – Anatole Kaletsky – al deze auteurs zien een veel breder probleem dan alleen een ontspoorde financiële sector.

Waar heeft het kapitalisme in brede zin dan gefaald en wat moeten we eraan doen? De auteurs komen niet veel verder dan: een te ver doorgeschoten markt en gevoelens van onvrede. Vooral Ha-Joon Chang en Robert Reich zien Thatcher en Reagan als de aanstichters van een marktfundamentalistische verschijningsvorm van het kapitalisme, met terugtredende overheid en een tsunami van marktprikkels die onrechtvaardig heeft uitgepakt. Steeds grotere inkomensverschillen, maar vooral ook de teloorgang van maatschappelijke cohesie, het wegvallen van een acceptabel sociaal vangnet voor de zwakkeren en een gebrek aan investeringen in publieke infrastructuur zijn voor hen de kenmerken van het kapitalisme van de afgelopen twintig jaar.

Kaletsky en Soros zijn neutraler. Een maatschappij die zich ontwikkelt kent nieuwe problemen, maar gewenste aanpassingen kunnen op zich laten wachten, schrijven ze. Beiden wijzen op de globalisering, die niet alleen dwingt tot meer grensoverschrijdend toezicht op de financiële sector, maar ook tot meer coördinatie tussen landen als het gaat om hun schuldenpositie – vergelijk de huidige problematiek van de euro. Het is moeilijk het hier niet mee eens te zijn.

Toch is dat een beetje onbevredigend. Er is immers veel meer aan de hand, en er valt ook meer over te zeggen. Zelf zie ik een grote oorzaak in de informatietechnologierevolutie die in de jaren negentig in volle hevigheid is losgebarsten. Informatietechnologie zie ik als aanjager van een permanent veranderingsproces in de economie. Het zorgt er voor dat economische activiteiten steeds ongrijpbaarder worden, doordat ze gemakkelijk kunnen worden verplaatst, of opgesplitst, of hoe dan ook ‘veranderbaarder’ zijn geworden. Dit maakt de economie niet alleen dynamischer, maar ook volatieler, meer op transacties gericht, minder leunend op de onderlinge samenhang en relaties. Binding en vastigheid zijn daardoor onder druk komen te staan. Er dreigt een footloose, wispelturig kapitalisme, dat een een gebrek aan cohesie met zich meebrengt.

Wat is hierop het antwoord? Voor Anatole Kaletsky – in zijn boek met de veelzeggende titel Capitalism 4.0 – is dat helder. ‘Global capitalism will be replaced by … global capitalism.’ Kaletsky gelooft erin. Kapitalisme is adaptief. Het vernieuwt zich om te overleven. Net zoals de Thatcher/Reagan-revolutie in de jaren tachtig met het centraal stellen van de markt ‘Capitalism 3.0’ introduceerde en daarmee het door Keynes geïnspireerde, activistische overheidskapitalisme ‘Capitalism 2.0’ verving, is het nu weer tijd voor een tegenbeweging: het heruitvinden van de overheid. Een overheid die de uitwassen van de markt moet indammen, en zich moet gaan manifesteren als de partij die spelregels oplegt en grenzen stelt aan de markt – een meer coördinerend ‘Kapitalisme 4.0’ moet het antwoord zijn op de crisis.

Maar – en hier waarschuwt Kaletsky ons – als we er niet in slagen het kapitalisme weer in de greep te krijgen dan dreigt de dominantie van China en het autoritaire staatskapitalisme van dat land.

Voor George Soros – jawel, de Soros die zo’n 20 jaar geleden met zijn speculaties tegen het Britse pond in één keer miljardair werd – past hierbij een nuancering. Uiteindelijk hebben we elkaar allemaal nodig. China zal, volgens Soros, alleen kunnen blijven groeien in een vredelievende omgeving waarin de rest van de wereld de groei van China gewillig aanvaardt.

Dat belooft nog wat. Wie de hetze in de VS aanhoort over de bedreiging (en het vermeende vals spel) van China en de roep om protectionistische maatregelen – van de rechtse(re) media, bijvoorbeeld Fox News, commentatoren zoals Rush Limbaugh tot de ‘Tea Party’ beweging – realiseert zich dat van een vredelievende omgeving al geen sprake meer is. Geopolitieke conflicten liggen op de loer. Het nieuwe global capitalism van Kaletsky zit nu al in zwaar weer.

Dreigt dan toch het einde van het kapitalisme as we know it? Voor Robert Reich – in zijn recent gepubliceerde boek Aftershock – is dit een verre van hypothetische vraag. Reich ziet de financiële crisis als een laatste symptoom van een verbroken contract met de middenklasse. Die heeft niet kunnen profiteren van de toegenomen rijkdom in de laatste decennia, die louter bij de allerrijksten terecht is gekomen. De middenklasse heeft alleen door veel te lenen het idee gehad te kunnen mee profiteren van de Amerikaanse Droom. En aan al dat lenen is nu, door de financiële crisis, juist een einde gekomen. We leven in een ‘winner-takes-all’-maatschappij. Hierin schuilt voor Reich de grote zorg over de stabiliteit van het democratische kapitalisme. De houdbaarheid ervan vraagt om een zekere mate van rechtvaardigheid.

Voor Robert Reich is er daarom een grote noodzaak voor een activistische overheid, die solidariteit en rechtvaardigheid afdwingt, en langs alle mogelijke wegen gelijke kansen voor eenieder bewerkstelligt. Ondersteuning van zwakkeren of mensen die tijdelijk in de problemen zijn geraakt, is hier een integraal onderdeel van. Anderen zijn minder uitgesproken. Met name Kaletsky en Soros zijn hier terughoudender in – geheel volgens het klassieke links/ rechtsverschil als het gaat om de plaats van de overheid.

In 23 Things They Don’t Tell You about Capitalism klinkt Ha-Joon Chang bijna nostalgisch als hij stelt dat verrijking niet mag verworden tot enige doelstelling, en dat organisaties en maatschappij solidariteit, eerlijkheid en samenwerking moeten bevorderen. Volgens Chang zijn solidariteit en samenwerking in het eigen belang van eenieder in de maatschappij. Het maakt de te verdelen koek groter, en zou niet op gespannen voet hoeven te staan met het kapitalisme.

Vervolg op pagina 2

Is ‘Kapitalisme 4.0’ het antwoord?

Chang is duidelijk optimistischer dan Reich. Van Reichs werk krijg ik nooit het idee dat hij veel vertrouwen heeft in het solidaire karakter van de mens. Misschien is Reich ook nu te pessimistisch, maar ik ben bang dat hij dichter bij de werkelijkheid zit.

Interessanter is dat Chang de overheid sturender wil maken in de economie. Dit is de grootste tegenstelling – een sturende overheid riekt naar industriebeleid en een overheid die probeert ‘winnaars te kiezen’. Chang benadrukt zelfs dat meeste welvarende economieën van vandaag – de VS incluis – rijk zijn geworden met overheidsinterventies, zowel langs de lijnen van industriebeleid als bepaalde mate van protectionisme (en bescherming tegen agressieve aandeelhouders). Voor Chang is dit geen no-no. Zich ontwikkelende landen moeten volgens hem meer speelruimte krijgen om zich te wapenen tegen het pure vrijemarktdenken. Pure, open concurrentie zal volgens hem deze landen niet de mogelijkheid geven boven te komen drijven.

Een nuance past hier. Zelden is immers sprake van echte open concurrentie, en is het niet zo dat allerlei (ook westerse) landen nadrukkelijk voor hun eigen belangen opkomen, lees Frankrijk? Ik denk niet dat dit minder wordt in de toekomst, integendeel. Hier oefent het dynamische spel van de informatietechnologie weer invloed uit. Het zorgt ervoor dat economische activiteiten steeds ongrijpbaarder worden, doordat ze gemakkelijk kunnen worden verplaatst, opgesplitst, etcetera. In dit krachtenspel zullen overheden zich nadrukkelijker gaan manifesteren, juist om meer vastigheid te scheppen. Grote landen zullen inzetten op de belangen van hun eigen industrie. Protectionisme via preferentiële handelsrelaties komt dan al snel om de hoek kijken. Als Sarkozy bijvoorbeeld naar China gaat, maakt hij een speciale deal voor de Franse industrie. Dit soort speciale handelsrelaties wordt steeds belangrijker, als een soort dirigistisch kapitalisme. Protectionisme komt dan al snel om de hoek kijken. Nederland zal slim moeten opereren in dit krachtenspel tussen grotere landen.

Is enige vorm van geruststelling na al deze zorgen op zijn plaats? Moeten we blij zijn dat iedereen nu inziet dat het marktfundamentalisme te ver is doorgeslagen, en dat de overheid zich weer moet manifesteren als bepaler van de spelregels? Ja, en nee. Ja, natuurlijk moeten we blij zijn met het ontstaan aan tegenkrachten. Dit is het aanpassingsvermogen van het democratisch kapitalisme, datgene wat het systeem corrigeert en het in betere vorm kan bestendigen. Maar ‘nee’, als we terug denken aan de afgelopen jaren.

Waren we blind voor het markfundamentalisme? Nee, keer op keer is door beleidsmakers gewezen op de essentie van een meer geliberaliseerde markt: ‘vrije’ markten werken bij de gratie van goede spelregels. We hadden het belang van spelregels dus wel degelijk in het vizier, en toch ging het helemaal verkeerd.

Is dit niet dramatisch? Volgens Soros, Reich, Kaletsky en Chang werd recht voor onze ogen het systeem min of meer gecorrumpeerd. In de VS letterlijk: lobby’s en financiële bijdragen aan beleidsbepalende politici deden hun werk. Dit is opvallend genoeg de voornaamste reden dat alle auteurs openlijk twijfelen aan het werkelijk democratisch gehalte van onze maatschappij. Dat ‘de markt’ uit de bocht kan vliegen is tot daar aan toe. Maar als het grote geld de overheid (en dus het algemene belang) kan omkopen, dan is dat van een andere orde.

Deze boodschap mag niet gemist worden. Is dit niet de grootste bedreiging voor ‘ons’ democratisch kapitalisme? Dat het verwordt tot een koehandel in deelbelangen? In onze open samenleving wordt de politiek geacht het algemeen belang te dienen. Maar hoe verhoudt zich dit tot de invloed van geld? En met allerlei zakelijke banden en vormen van ‘capture’ tussen overheid en markt?

Bestaat dit ook in Nederland? Ongetwijfeld, laten we onszelf niet voor de gek houden. Wie (her)schreef de wetgeving voor de financiële sector in Nederland? De invloed van brancheorganisaties was fenomenaal. En zitten de wetgevingsexperts nog wel op het Ministerie van Justitie? Ik weet het niet. Steeds vaker zie ik dat concept wetteksten (in opdracht van private opdrachtgevers) door advocatenkantoren worden opgesteld. Misschien flauw, maar is het nog wel juist dat elke wet begint met ‘Wij Beatrix....’; ik heb wel eens voorgesteld dit te vervangen door ‘Wij Allen & Overy..’ of ‘Wij van De Brauw...’ om wat beter aan te sluiten bij de praktijk van elke dag. Ook bij ons is de politiek vaak de gevangene van deelbelangen. De bescherming van het publieke belang is in het geding. Ik weet niet of politici zich dit voldoende realiseren.

Van fundamenteel belang voor het begrijpen van de huidige maatschappelijke ‘crisis’ én van de toekomst, lijkt mij daarom dit: te onderkennen dat we in een transactiemaatschappij zijn terechtgekomen. Die behoeft bijsturing. We hebben een bepaalde mate van ‘vastigheid’ nodig, die zich vertaalt in sociale cohesie.

Toch: zelfs in een dreigende lobbycratie heeft Ha-Joon Chang gelijk, als hij de karakterisering die Winston Churchill gebruikte om het concept ‘democratie’ te verdedigen, vertaalt naar het kapitalisme: ‘capitalism is the worst economic system except for all the others.’

Een interview met Ha-Joon Chang en besprekingen van eerder werk van Reich en Soros op: www.nrcboeken.nl