Uit schaatsen met M. Nijhoff

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, een boek over het leven mét het dichtwerk van Truus Gerhardt, de zus van Ida.

Wat weet je werkelijk van een ander? En kun je hem of haar werkelijk begrijpen? Dat is altijd de vraag – in het echte leven, en bij het lezen van een biografie. Ik wist niets van Truus Gerhardt (1899-1960), behalve dan dat ze de oudere zus van Ida Gerhardt was en net als Ida gedichten schreef. Dus ik begon te lezen in De sluier weggevallen. Ik las over de jeugd van Truus. Over haar knappe verschijning. Over haar huwelijk met een rijke zakenman, haar twee kinderen – en dan al snel de partnerruil met een bevriend getrouwd stel, waardoor zij verder ging met een kunstschilder.

Ze hadden een groot huis, en veel personeel. Op een gegeven moment verschijnt in de tuin een klein chalet, waarin Truus gedichten schrijft. Niet veel, niet erg bijzonder, wel heel erg naar de geest van de tijd, met titels als ‘Wilde hyacint’, 'Boerenwormkruid’ en ‘Kattestaart’. Marnix Gijsen over haar eerste bundeltje, De engel met de zonnewijzer (1935): ‘Ze bespreekt bijna uitsluitend de botanische genoegens en beschrijft of bezingt de meest dagelijksche bloemen van den Hollandschen tuin.’ Twee jaar later volgt Laagland. Ik lees over de enthousiaste ontvangst ervan in NSB-kringen. Maar ook: de snibbige recensie van Marie van der Zeyde, de vriendin van Ida. En dan over de psychische problemen van haar man, en over haar eigen ziekte, tbc. En dan, in 1939, meldt haar eerste man zich; hij wil hertrouwen. Enzovoort. Het is allemaal braaf verzameld en achter elkaar gezet. Het is allemaal interessant en ik lees het allemaal, maar ik heb geen enkele keer het idee dat ik iets van deze vrouw begrijp, en al helemaal niet van haar dichterlijke bevliegingen.

Midden in de oorlog duikt dan opeens Martinus Nijhoff op. Ze gaan schaatsen. De beschrijving van de tocht, in een brief aan een vriendin, is prachtig. ‘Het onafzienbare toegevroren land met zijn witbepluimde boomen en de hoeven in winterslaap; het dorp: besneeuwde daken, een purperen avondhemel en zwarte wolken kraaien om de toren; ons huis: een brave boereherberg; onze chambre de noce: kraakhelder, een koets- van-een-bedstee, gesteven blauwgeblokte gordijntjes, gewitte wanden, en over alles de tooverachtige glans van het kaarslicht.’ Korte tijd later doen ze dezelfde tocht nog eens, en opnieuw volgt er een verliefde beschrijving – en opnieuw laten de biografen op de plek waar de liefdesnacht zelf wordt beschreven alle tekst weg. En dan verdwijnt Nijhoff weer uit haar leven. Wat vond hij er eigenlijk van? Ging hij wel vaker ‘schaatsen’? Waarom kwam er geen vervolg? Waar was Truus op uit?

Zo gaat het steeds in deze biografie: alle vondsten, hoe interessant en spectaculair ook, roepen alleen maar meer vragen op. Het huwelijksaanzoek van Pieter Geyl: waarom wijst ze het af? De opmerking van haar vader dat hij bij Truus ‘hetzelfde ziektebeeld als bij Moeder’ ziet: wat bedoelt hij? ‘Over haar leven tussen de zomers van 1942 en 1944 is niet veel bekend.’ Misschien heeft het allerbelangrijkste zich juist in die twee jaar afgespeeld. Zoveel is zeker: vanaf voorjaar 1944 is het mis. Dat valt te lezen in de gedichten. Eenzaamheid, zwartgalligheid, niet meer verder willen leven. ‘De rails langs, aan de zelfkant van de stad, / mijn voeten slepen over ’t sintelpad. / ’k Staar naar de wagens, op dood spoor gereden... / Daarin ligt heel mijn triest bestaan vervat.’ Ze werden pas na haar dood gevonden en uitgegeven. Ze verbijsterden velen. In die gedichten is, zoals W. Barnard het uitdrukte, ‘de sluier weggevallen’. Ja. Maar niemand snapt waarom.

Mieke van den Berg en Dirk Idzinga: De sluier weggevallen. Truus Gerhardt. Biografie en verzamelde gedichten. De Nieuwe Haagsche. 272 blz. € 19,95