Rembrandt en Mondriaan

Hoe ruikt, smaakt of klinkt Nederland als je er niet bent opgegroeid? De Achterpagina vroeg een aantal geïmmigreerde schrijvers hoe Nederland de zintuigen prikkelt.

Vandaag: het oog. Vier auteurs over de vraag hoe Nederland er uitziet voor iemand van ‘buiten’.

Denkend aan Mordor kan ik niet slapen, niet slapend denk ik aan Mordor.

Industrieterreinen, shoppingmalls, oprukkend asfalt, kolencentrales, kleinburgerlijke woonkazernes waar alleen diehards zich niet direct opknopen.

Met lede ogen zie ik aan hoe mijn oneindig laagland wordt gemordoriseerd. Met de attributen van Mammon, even lelijk als de afgod zelf. Is mijn Gollandija hier nog tegen opgewassen?

De allerwijsten der wijzen, de dichters, zeggen: het leven houdt zijn wonderen verborgen tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Voor mij geen ontdekking van de hemel, maar van het Gein, een bescheiden riviertje tussen Abcoude en de Weespertrekvaart.

Het begint al voor ik het riviertje zelf in zicht krijg, tussen de laatste resten stad en de weilanden. De einder badend in magisch licht, twee kerktorens, wat houtwalletjes, een molentje, lome koeien, die de weilanden omtoveren tot een verwaaide tuin.

De belofte als een voorbode van geluk. Want het Gein, met zijn meanderende bescheidenheid, het fonkelende spel tussen zijn wateren en het licht, zijn transparante vegetatie, zijn tikkeltje verwaarloosde boomgaarden uit de landschappen van mijn kindertijd, dat Gein is het geluk.

Jarenlang heb ik geweigerd om ook maar iets van een analyse op mijn verzaligde hoofd los te laten, doodsbang om mijn authentieke Gein-roes om zeep te helpen. Maar op een dag wist ik het opeens, bij de zoveelste aanblik van het zondagsschooltje en de moestuin met boerenkool, preien en sperziebonen. Kijken is ook een analyse, omdat we dan even uit onszelf treden en zo de broodnodige afstand creëren.

Op die dag gaf het Gein me zijn raadsel prijs en bracht me in een vervoering van een heel andere orde dan mijn gangbare bewondering voor het Hollandse landschap. Ik bewoog me door een ruimte waar ongekende schatten waren gecodeerd.

Ik zag de tekeningen van Rembrandt tot leven komen en die van de jonge Mondriaan, omzoomd door de drieste penseelstreek van de Franse impressionisten, een weemoedig Russisch landschap met grazende paarden uit de films van Tarkovsky en onder een bomengroep een onvervalste Potter. Boven dit alles het uitspansel van El Greco, bewolkt door heiligen en maagden achter imposante wolken.

Juich niet te vroeg, Mordorianen. De zachte krachten zullen overwinnen, aan het eind.

Sana Valiulina (Tallinn, Estland, 1964) studeerde Noorse taal- en letterkunde. en woont sinds 1989 in Amsterdam. Ze debuteerde met ‘Het Kruis’ (2000). Vorig jaar verscheen ‘Honderd jaar gezelligheid’.