Moulijn, de mythe

Het voordeel van oude boeken: de inhoud verandert niet. Na decennia van ruis, van idealisering en kletspraat veeg je het stof van de pagina’s en keer je terug naar hoe het werkelijk was. Zo leerde het openslaan van Bouwers aan Feyenoord (1972) dat Coen Moulijn misschien niet altijd even bescheiden was als deze week op tal van plekken is beweerd. Later wel, mogelijk, toen hij op zijn vaste barkruk in de Kuip wedstrijden volgde en daar, zoals ook ik eens ondervond, bijzonder aimabel was. Maar in 1972, vlak na het einde van zijn loopbaan, zei hij in voornoemd boek van Ger Bestebreurtje: ‘Ik heb gedurende een lange periode in m’n eentje méér mensen naar de Kuip getrokken, dan de andere jongens met z’n allen. En ik heb, zoals men weleens beweert, volgens mij inderdaad de waarde van een heel stadion bij elkaar geschopt.’

Nu hoefde Moulijn van mij niet bescheiden te zijn – wie heerlijk kan dribbelen zoals hij, mag praatjes hebben voor tien. En die had hij kennelijk ook. En trouw dat de ras-Feyenoorder was! Hoewel? In 1955 had hij zijn club Xerxes liever ingeruild voor Sparta dan voor Feyenoord. ‘Toen ik verkocht moest worden’, zei Moulijn in Bouwers aan Feyenoord, ‘prefereerde ik het Kasteel boven de Kuip’. Bij hem in het Oude Noorden repte men schamper van ‘de boeren van Zuid’. Maar ja, ‘Sparta wilde me niet hebben’, dus werd het toch Rotterdam-Zuid: ‘De start van een lange, succesvolle loopbaan, meen ik te mogen zeggen’. Van mij wel.

Dat Moulijn tot het einde trouw is gebleven aan Feyenoord kwam niet alleen door clubliefde. Hij kon naar Barcelona maar liet zich ompraten door voorzitter Cor Kieboom. In plaats van miljoenen in Catalonië werden het duizenden in Rotterdam: handgeld bij een nieuw contract waarmee hij een kledingzaak begon. Later nam hij het Kieboom min of meer kwalijk dat Barcelona op een afstand was gehouden. In het verlengde daarvan vroeg Coentje zich af of hij niet ‘nog beter’ was geworden als hij in ‘nog betere teams’ had gespeeld. Waarschijnlijk wel. En veel rijker. Maar dan had hij flinker moeten zijn, minder moeten opzien tegen een ver land met rare gewoonten. ‘Bij Delft krijgt ie al heimwee,’ zei een bestuurslid. Coentje sprak het niet tegen.

De balans van Mister Feyenoord in 1972: hij was liever naar Sparta gegaan, hij had korter willen blijven en tijdens zijn aanwezigheid had hij geen kledingwinkel moeten beginnen en had hij liever als aanvallende middenvelder gespeeld (‘linksbinnen’) dan als linksbuiten. Topsport was ‘ook niet alles’ – Coentje was blij dat het erop zat.

39 jaar later begroeven wij een van de fijnste dribbelaars uit onze geschiedenis en dat niet alleen: een ras-Feyenoorder, een groot mens, een mythe van trouw, opofferingsgezindheid en bescheidenheid.