Mijn angst bewaar ik achter glas

Sommigen verstaan de kunst van een hoger ouwehoeren. Lieke Marsmans poëzie staat er vol mee; die is humoristisch, licht en tegelijk pijnlijk.

Lieke Marsman: Wat ik mijzelf graag voorhoud. G.A. van Oorschot, 60 blz. € 14,50

Bent u wel eens ergens te laat gekomen? En hoe kletste u zich er toen uit? Dichteres Lieke Marsman (1990) moet haar kleine broertje van zwemles ophalen, maar er gaat iets mis. Dat gaat ze hem nu uitleggen. ‘Broertje’, zegt ze, in de aanhef van haar 32 regels tellende gedicht, ‘er zijn verschillende manieren waarop / je iemand kunt ophalen van zwemles en / te laat is er één van.’ Het klinkt niet erg schuldbewust, eerder als een wijze les voor de broer. Ik zal jou eens even een nieuwe visie op het begrip ‘ophalen’ laten zien: te laat ophalen is ook een vorm van ophalen.

Nu ze eenmaal zo begonnen is, kan ze niet meer terug. Eigenlijk moet broertje blij zijn dat zij er nog niet is, want er zitten welbeschouwd alleen maar voordelen aan het wachten. ‘Je kunt tijdens / het wachten je haren vast laten drogen.’ Handig! Nog eentje: je kunt tijdens het wachten ‘bedenken / hoe je die haren morgen bij de kapper laat knippen.’ Ook handig! Nog een voordeel: je kunt ook bedenken dat je ze ‘eigenlijk niet wil laten knippen.’ En waarom? ‘Misschien / komt er een dag waarop er geen haren meer zijn om / geknipt te worden [...].’ Er staan broertje nog veel meer nare dingen te wachten als hij ouder wordt. Daar kan hij nu, tijdens het wachten, alvast mooi over nadenken.

Het is een vorm van hoger ouwehoeren, maar tegelijk is het ook pijnlijk. Al die tijd staat broertje daar maar, met zijn natte haar. Hij weet van niets, hij kan niets terug zeggen – en wij, lezers, kijken machteloos toe. Na al haar onheilspellende uitweidingen werpt zus zich aan het slot ook nog eens op als zorgzame troosteres. ‘Maar maak je vandaag nog maar / geen zorgen, broertje. Als je wacht, / gaat de tijd langzaam.’ Alsof hij daar blij mee zou zijn. ‘Sta voor nu / nog maar even met een cafetariasnack / in je hand te kijken hoe het eind / van de straat het eind van de straat / zonder mensen blijft.’ Dat is het eind van het gedicht, en dan snappen we wel dat zus nog steeds niet is gearriveerd.

Ik sta zo lang stil bij dit ene gedicht om te laten zien wat voor merkwaardige poëzie Lieke Marsman schrijft. Haar gedichten zijn geen gedichten in de strikte zin van het woord. Het zijn grillig verlopende, vreemd uitwaaierende, prozaïsch gestemde poëziedagboekbladen. Ze lijken vaak licht en humoristisch, maar ze kunnen, zoals in het geval van het zwemlesvers, ook heel vilein zijn. Ze zien er uit als achteloos gebabbel, maar ze zitten vol met allerlei gedachtesprongen. Er is nauwelijks dichterlijke vormgeving, maar Marsman weet de verhaallijnen wel in de hand te houden – en aan het slot toch weer mooi bij elkaar te laten komen.

Een nieuw geluid zou ik Lieke Marsman niet willen noemen – daarvoor zijn haar toon, haar woordkeus en haar beeldspraak niet bijzonder genoeg. Maar een eigen blik heeft zij wel. Marsmans poëzie speelt zich af in de binnenwereld van een denkend brein. De aanleidingen zijn klein en onbelangrijk (broertje, zwemles, te laat komen) en vaak aan de eigen herinneringen ontleend (‘toen ik vijf was’, ‘toen ik elf was’, ‘toen ik vijftien was’). Ook als het gedicht zich verderop afspeelt (‘Madrid’, ‘Rome’, ‘New York’) gaat het vooral om haar gedachten en haar plezier in denk-experimenten. Er zit bij Marsman altijd een zekere afstand tussen haarzelf en de wereld om haar heen. Dat leidt tot onthechte waarnemingen: ‘De stad […] staat iedere ochtend voor mijn deur’. Of tot het isoleren van eigen gevoelens: in haar kamer ‘staat een kabinet waarin ik achter glas / mijn angst bewaar als relikwie’. Haar huid ziet ze als de dunne grens (‘de vitrage’) tussen binnen en buiten. Lijdt deze dichteres aan bindingsangst, smetvrees of aan een hyperzelfbewustzijn? Je kunt ook zeggen dat ze gedreven wordt door een grote nieuwsgierigheid. Even later kan het net zo gemakkelijk gaan over de interessante gedachte dat zich op één millimeter van onze huid een parallel universum bevindt.

Ik lees Marsman het liefst als ze bij al haar slimme geredeneer ook gevoelens durft toe te laten. ‘Oerknal’ is een goed voorbeeld. Eerst gaat het over de theorie van het bliksemsnelle sterven van ons heelal en de triljoenen nieuwe heelallen die daarna zouden kunnen ontstaan. En dan is er, de volgende ochtend, de vraag hoe je met deze kennis verder moet leven. Marsman vergelijkt het snelle imploderen en exploderen van sterren en sterrenstelsels en heelallen dan maar met haar eigen in- en uitademing, met ‘mijn op en neer gaande borsten’, met ‘de antenne van een radio, die je doelloos in en uit kunt blijven schuiven’ en tot slot met ‘een zeeanemoon’. Dat lijkt mij een beeld voor schoonheid, maar ook voor vergeefs heen en weer bewegen in eenzaamheid. Het is zo’n moment waarop ontreddering door het intellectuele vernis heen breekt – zo’n moment waarop je naar het einde van de straat staat te kijken en moet vaststellen dat ‘het eind van de straat het eind van de straat zonder mensen blijft.’