'Hongaarse perswet gevaarlijk'

Zeker een van de nieuwe regels voor Hongaarse pers zal voor het Europese Hof sneuvelen, verwacht hoogleraar Schuijt.

De nieuwe Hongaarse ‘autoritaire’ perswet zorgt niet alleen voor politieke ophef. De wet bevat tenminste één bepaling die het „in Straatsburg niet zal halen”. Dat is de plicht om de ‘publieke moraal’ hoog te houden. Dat zegt emeritus hoogleraar mediarecht Gerard Schuijt, auteur van het standaardboek Vrijheid van Nieuwsgaring.

In Straatsburg zetelt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat bevoegd is om klachten van onder meer Hongaarse burgers te beoordelen. Volgens Schuijt is de bepaling waarin persvrijheid wordt toegestaan mits de ‘publieke moraal’ (public morals) niet worden beschadigd, niet in overeenstemming met de Straatsburgse jurisprudentie. Ook het artikel in de Hongaarse perswet waarin media worden verboden om inhoud te publiceren die strijdig is met de ‘menselijke waardigheid’ noemt hij „veel te ruim en vatbaar voor zeer beperkende interpretatie”.

Het mensenrechtenverdrag garandeert Europeanen in 47 landen in artikel 10 de uitingsvrijheid en de „vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen”. Er mogen door deze lidstaten van de Raad van Europa wel beperkingen worden gesteld, mits die ‘bij de wet zijn voorzien’ en ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’. Straatsburg beoordeelt of die noodzaak aanwezig is en de wet voldoende duidelijk. Als dat niet zo is, wordt het aan de lidstaat overgelaten om de wet te veranderen. De plicht van Hongaarse media om de ‘publieke moraal’ in acht te nemen noemt Schuijt „buitengewoon gevaarlijk”. Het is een vaag en onduidelijk begrip. Ook kan het in een democratie soms nodig zijn dat media publiceren over feiten of gedragingen die in strijd zijn met de menselijke waardigheid. Schuijt („Mijn motto is: de beste perswet is géén perswet”) zet vraagtekens bij de vergaande beperking van het verschoningsrecht voor Hongaarse journalisten. In beginsel mogen ook Hongaarse media de namen van informanten geheim gehouden. Tenminste zolang die bronnen geen informatie gaven waarmee ze de wet overtraden. Schuijt merkt op dat klokkenluiders meestal een ambtsgeheim of een geheimhoudingsplicht uit een arbeidsovereenkomst overtreden. Dus het Europees erkende verschoningsrecht lijkt hier feitelijk te worden uitgeschakeld. Ook mag de Hongaarse staat de namen van journalistieke bronnen opeisen, als de nationale veiligheid en de openbare orde dat nodig maken. Bijvoorbeeld als er zo een misdrijf kan worden voorkomen. Daarvan zegt Schuijt dat zoiets alleen kan als het om „hele erge dingen gaat, niet om het voorkomen van elk misdrijf en elke verstoring van de openbare orde”.

De plicht in de Hongaarse wet voor media om zich te registreren is „als zodanig” niet in strijd met artikel 10 van het EVRM. In Nederland is verplichte registratie nog bekend uit de bezettingstijd. Het verbod in artikel 17 van de de Hongaarse perswet voor media om ‘haat te zaaien’ tegen personen, landen, gemeenschappen of religieuze, culturele of etnische minderheden staat ook in de Nederlandse wet. Maar dan in het wetboek van Strafrecht. Dat het in Hongarije in de perswet staat wekt de indruk dat het bij de registratie van media een rol kan spelen. Als dat zo is „dan heb je binnen de kortste keren een beroepsverbod of verschijningsverbod”.

Op het verbod op haat zaaien oefent Straatsburg eveneens toezicht uit. Toen België de Waalse nationalistist Féret in 2006 een taakstraf gaf en zijn passief kiesrecht schorste wegens haat zaaien, keurde Straatsburg dat overigens goed. Ook het verbod voor Hongaarse media om te grieven is niet nieuw. Zij het dat Straatsburg onder grieven niet een verbod to ‘shock, offend and disturb’ verstaat.