Geestelijk vader van Spekkie, de pijper van de Zeeleepers

Jenneke Groenevelds: Johan Been. Rasverteller uit Brielle (1859-1930). Walburg Pers, 190 blz. € 9,95

Dit jaar vieren we de 152ste geboortedag van de Brielse schrijver Johan Been, geestelijk vader van Paddeltje, de scheepsjongen van Michiel de Ruyter (1908). Johan Been was geschiedenisman te Brielle, uit roeping en van beroep. Decennialang was hij stadsarchivaris.

Over hem verscheen Jenneke Groenevelds Johan Been. Rasverteller uit Brielle (1859-1930). Een enigszins wonderlijke biografie, tikje onhandig, tikje oningevoerd zodra het buiten-Brielse zaken betreft. Want ook Mevrouw Groeneveld is Brielse, wat haar Been-boek tegelijkertijd iets intiems geeft.

En het aardige is nu dat dit uitstekend past bij Johan Been, de selfmade-historicus die zich in de kijker weet te schrijven bij historische en letterkundige grootheden uit die dagen als Robert Fruin en Jan ten Brink, maar altijd ook de minderman is gebleven, de sympathieke dilettant uit de vestingvlek Den Briel.

De auteur Johan Been was op zijn hoogtepunt toen Brielle haar neergang inzette. Keerpunt voor het stadje was de opening in 1872 van de Nieuwe Waterweg, wat de Brielse handel en nijverheid terstond om zeep bracht. Gelukkig was daar Been, die kon doen herinneren aan een groots verleden.

Het Den Briel-aspect mogen we nooit vergeten als we aan Johan Been denken, de auteur die ook mij als kind verwende met Paddeltje en de andere twee delen van zijn door J.H. Isings geïllustreerde De Ruyter-trilogie, en een keur aan andere titels als Het Keezenboek (1899), Spekkie, de pijper van de Zeeleepers (1909), Kakkerlak bij de Padvinders (1910), of Admiraal Dubbelwit (1911).

Dubbelwit? Witte de With dus. Aardig. Johan Beens De avonturen van een stadhuisklerk uit 1909 is een archiefroman, een in de Nederlandse literatuur niet zeer veelvuldig beoefend genre. Het gaat misschien te ver om deze roman ‘de Max Havelaar van het archiefwezen’ te noemen, maar Been is evenzeer bezig met eigen eer(herstel) als Multatuli in diens debuut.

Een vriend van de hoofdpersoon zegt: ‘Het is jammer dat het archief over zooveel plaatsen in het stadhuis verdeeld is. Laat eens kijken, in uw werkkamer is een gedeelte, op het zolderkamertje wat, op de zolders ook al, en in de Raadkamer eveneens. Mijn beste meneer, wat moet er van dat kostbare archief terechtkomen, als er in het Stadhuis brand uitbreekt!’ En wat gebeurt? Brand! Het is maar goed dat een Beenachtige stadhuisklerk heldhaftig reageert. De echte, onvervalste Been zou trouwens precies hetzelfde hebben gedaan, al was het alleen maar omdat hij voor zijn jongensboeken bijzonder veel materiaal uit de verspreide Brielse archieven putte.

Johan Been. Rasverteller, archivaris, Brielle-propagandist. Een mooi bewijs van het laatste is dat hij in 1896 Brielle in de kolommen van het door Lodewijk van Deyssel en Albert Verwey geredigeerde Tweemaandelijksch Tijdschrift wist te manipuleren. Verwey had over Van Oldenbarneveldt gepubliceerd, Been stuurde een verhaal waarin Van Oldenbarneveldt tactisch bemiddelt bij een Maas-betonningsconflict tussen Maasluis en Den Briel.

Het stuk werd geplaatst, meer zouden volgen. Op die manier wist Been zelfs de nationale literatuur Brielse kleur te verlenen.

Wekelijks op nrcboeken.nl: ‘Vroeger Vaderland’ door Atte Jongstra