Films voor alle zintuigen

Philippe Parreno, bekend van zijn 17-camera- documentaire over voetballer Zinedine Zidane, brengt zijn films in Londen onder in een theatershow die je van het ene naar het andere scherm lokt. Hij is een van de kunstenaars die de grenzen van de filmkunst oprekken.

Een dik pak sneeuw bedekt de paden en vijvers van de Londense Kensington Gardens. Vanachter de ruiten van de midden in het park gelegen Serpentine Gallery zie je de vlokken loompjes neerdwarrelen. De ramen van de tentoonstellingsruimte zijn deels beslagen met ronde vlekken, alsof een schoolklas er zojuist massaal zijn lippen tegenaan heeft gezet. Pittoresker kan haast niet. En toch, zo voel je, is er hier iets niet helemaal in de haak.

Want hoe kan het sneeuwen terwijl de lucht buiten zo knalblauw is? En waarom willen de ademplekken maar niet verdampen?

Veel tijd om over deze mysteries na te denken wordt je niet gegund, want dan zakken opeens de rolluiken naar beneden en gaat het licht uit. Op een van de wanden verschijnen filmbeelden van een schemerig landschap met grazende waterbuffels. Van het ene op het andere moment bevinden we ons niet meer in winters Londen maar in tropisch Thailand.

De tentoonstelling van Philippe Parreno (1964) in de Serpentine Gallery in Londen is vanaf de eerste seconde een belevenis die al je zintuigen op scherp zet. De Frans-Algerijnse kunstenaar laat er vier van zijn filmwerken zien, en doet dat op een bijzonder ingenieuze en vernieuwende manier. In plaats van de korte films doorlopend – in loops – en tegelijkertijd te vertonen, zoals gebruikelijk op dit soort exposities, heeft hij ze achter elkaar geprogrammeerd in een soort theatershow van een half uur.

Het is een eenvoudig idee, maar als tentoonstellingsconcept is het revolutionair. Want exposities bezoek je doorgaans in je eigen tempo, in je eentje. Je beslist zelf hoe lang je bij een kunstwerk blijft hangen, welke je overslaat en bij welke je gaat zitten. Bij Parreno wordt tentoonstellingsbezoek een groepservaring, een soort schoolreisje. Wanneer je instapt, maakt niet uit. Maar eenmaal binnen voelt het plotseling ongepast om er weer uit te stappen, zoals bij een theatervoorstelling.

Als de Thailandfilm (The Boy from Mars, 2003) na tien minuten zijn einde nadert, klinkt er een hypnotiserend gezang dat zich al snel verplaatst naar de naastgelegen zaal. De zonweringen rollen weer omhoog – buiten liggen de Kensington Gardens er nog net zo besneeuwd bij. En alsof iemand ons als marionetten aan onzichtbare touwtjes omhoog trekt, staat de groep toeschouwers tegelijk op. In colonne volgen we het geluid van de vrouwenstem. Het is de kunstenaar, zo beseffen we maar al te goed, die al onze bewegingen nauwkeurig choreografeert.

Dan, in de tweede zaal, valt de duisternis weer in en bevinden we ons plots in een trein die door een overweldigend Amerikaans landschap raast. Het geratel van de wielen op de rails klinkt oorverdovend in speakers achter ons, waardoor het idee dat we zelf met de trein meerijden versterkt wordt. Langs de route staan mensen die ons allemaal in stilte aanstaren: een honkballer is bevroren in zijn spel, een jongetje staat verstild naast zijn fiets, een moeder houdt haar dochtertje bij de hand. Hun kleding, maar ook de auto’s langs het spoor, stammen onmiskenbaar uit de jaren zestig.

Ik moet denken aan de beelden die Magnum-fotograaf Paul Fusco in 1968 maakte van de laatste treinreis van de doodgeschoten Robert F. Kennedy. Afgelopen zomer waren ze te zien in het Uitvaart Museum in Amsterdam. De titel van Parreno’s film, June 8, 1968 (2008, zie de cover van dit supplement), bevestigt dit vermoeden: veertig jaar na de moord op RFK heeft Parreno een re-enactment gemaakt van precies deze treinreis. Hij baseerde zich daarbij losjes op Fusco’s foto’s, maar verplaatste de setting van de Amerikaanse Oostkust naar het veel dramatischere landschap van Californië. En waar de mensen op Fusco’s foto’s bij het zien van RFK’s doodskist zwaaiden, huilden of salueerden, staan de acteurs in Parreno’s film stil als standbeelden. Rouw heeft plaatsgemaakt voor een meer dromerige toestand.

Er staan geen stoelen in de ruimte, ook daarover heeft Parreno nagedacht. Staand voor dat enorme filmscherm wordt de ervaring van het kijken nog intenser. Nu is het alsof we zelf in het landschap verdwijnen. Oog in oog met de figuren op het doek. Geesten uit het verleden staren ons aan. Wij staren vanuit het heden terug.

Slechts zeven minuten duurt June 8, 1968, maar het is een klein meesterwerk, waarvan je de beelden keer op keer zou willen terugzien. Parreno is erin geslaagd de toch al zo aangrijpende foto’s van Fusco tot leven te wekken. Hij heeft de oude, vergeelde herinneringen opnieuw ingekleurd, ze scherper gemaakt. De lucht is blauwer dan in werkelijkheid, het gras groener. Er staan veel minder personen langs het spoor dan in 1968. Alle ruis is weggefilterd – met kristalheldere beelden als resultaat.

Dat Philippe Parreno over originele en vernieuwende ideeën over filmkunst beschikt, bewees hij al eerder met Zidane: A 21st Century Portrait, een film die hij in 2006 samen met collega Douglas Gordon maakte. Voor die veelgeprezen film lieten Parreno en Gordon hun onderwerp, de voetballer Zinedine Zidane, tijdens een wedstrijd tussen Real Madrid en Villareal door maar liefst zeventien camera’s volgen. Een speelfilmlengte lang zoomden die camera’s in op de zweetdruppels, de grimassen, de handgebaren, de dribbels en het geslof van de sterspeler. In die negentig minuten kwam de bal alleen in beeld als die aan de voeten van Zidane lag. En toch verveelde de film geen seconde.

Met zijn conceptuele manier van werken behoort Parreno tot een generatie van kunstenaars die hard bezig is de grenzen van de filmkunst op te rekken – een generatie waartoe ook kunstenaars als Pierre Huyghe, Douglas Gordon, Dominique Gonzalez-Foerster en Anri Sala behoren. Zij maken films die zich niets aantrekken van bestaande conventies, genres of regels. Schaamteloos mengen ze feiten met fictie, historische gebeurtenissen met dromen. Hun films hebben vaak geen duidelijke verhaallijn, maar zitten wel vol hypnotiserende beelden. Kenmerkend is ook de nogal theatrale manier van presenteren, met overrompelend hard geluid en overdonderende beelden. Film kijken in het museum is daardoor steeds meer een fysieke ervaring aan het worden.

Neem de nieuwste filminstallatie van Parreno’s generatiegenoot Isaac Julien (1960), Ten Thousand Waves, ook al zo’n meesterwerk, te zien in de Londense Hayward Gallery op een groepstentoonstelling die heel toepasselijk Move – Choreographing You heet. Daar kom je binnen in een compleet duistere zaal waarin negen transparante filmschermen kriskras door elkaar hangen. Het is alsof je een nachtelijke stad binnenstapt, waar voetstappen uit duistere steegjes klinken en waar je eigen schaduw zich mengt met die van andere nachtvlinders. Dit is filmkunst die niet alleen theatraal is, maar ook architectonisch. Een bouwwerk van geprojecteerde pixels.

Doordat de beelden op ieder scherm net iets verschillen, ga je automatisch tussen de filmschermen door dwalen. Het ene moment bevind je je in een weergaloos mooi Chinees landschap, het andere moment heb je het gevoel te verdrinken in een immense zee, terwijl het ratelende geluid van een helikopter steeds naderbij komt. Ten Thousand Waves is een werk dat je echt aan het wankelen brengt, je desoriënteert, vijftig minuten lang.

Net als Philipe Parreno deed met June 8, 1968, gebruikte ook Isaac Julien een historische aanleiding als uitgangspunt voor zijn werk: namelijk de tragische dood van 23 Chinese kokkelvissers in het Engelse Morecambe Bay in 2004. De oorspronkelijke politiebeelden van de mislukte reddingsactie zijn door de Britse kunstenaar gemengd met documentaire beelden uit hedendaags Shanghai. Maar er zweven ook godinnen uit Chinese legendes voorbij en Julien liet scènes uit de klassieke Chinese speelfilm The Goddess (1934) naspelen – nog zo’n typisch kenmerk van deze generatie filmkunstenaars: hun liefde voor re-enactments.

De vrijheid waarmee deze kunstenaars verschillende lagen van realiteit door elkaar heen mengen, en zo de toeschouwer meevoeren in een soort droomwereld, is misschien wel het belangrijkste kenmerk van deze nieuwe filmkunst. Zag je in de eerste jaren van deze eeuw bij veel kunstenaars nog een duidelijke belangstelling voor documentaire-achtige films (denk aan de Documenta van Okwui Enwezor in 2002 en aan de films van Walid Raad of het collectief Multiplicity), nu begint zich voorzichtig een nieuwe stroming af te tekenen van kunstfilms met een mystiek of mysterieus tintje. Een soort magisch realisme, zou je het kunnen noemen.

In de Serpentine Gallery is die magie het duidelijkst zichtbaar in Parreno’s nieuwste film Invisibleboy (2010), over een illegaal Chinees jongetje dat in het New Yorkse Chinatown woont, boven het naaiatelier van zijn ouders. Terwijl hij onzichtbaar voor de buitenwereld tussen de bergen rotzooi in het krappe appartement scharrelt, dagdroomt hij over monsters die zich in de gootsteenkastjes of achter de deur verstopt hebben. Die fantasiebeesten heeft Parreno zichtbaar gemaakt door ze handmatig op de filmrol te krassen – alsof ze zich ook letterlijk in een andere laag van de werkelijkheid bevinden. Het levert een mooi contrast op, die oplichtende schetsmatige wezens in dat verder zo deprimerende appartement.

De stuwende soundtrack van Invisibleboy, een instrumentaal nummer van de Canadese band Godspeed You! Black Emperor, houdt abrupt op. Opnieuw voeren de rolluiken hun act op en stroomt het daglicht de expositieruimte binnen. In de verte klinkt wederom dat verlokkende sirenengezang. Nog eenmaal schuifelen we en masse richting de volgende zaal.

Het is tekenend dat Parreno’s tentoonstelling in de Serpentine Gallery eindigt – of begint, het is maar net op welk punt je in de carrousel stapt – met de vroege video No More Reality (1991). De gruizige beelden van een schoolklas die met spandoeken door de straten van Nice paradeert en de leus ‘No More Reality’ scandeert, ogen authentiek maar zijn ongetwijfeld door de kunstenaar in scène gezet. Het voelt als een soort coming-out van de kunstenaar, een ferm statement: vanaf nu heb ik het gehad met de werkelijkheid.

Als we, na exact een half uur, weer buiten staan, blijkt dat de sneeuwbui behoorlijk plaatselijk is – de vlokken worden uitgespuwd door een machine die op de dakrand van de Serpentine Gallery staat. Op de koude grond mengt de nepsneeuw zich met de echte en oogt daar net zo waarachtig. De wasem op de ruiten blijkt er met zuur in te zijn geëtst, maar de ramen zijn ook daadwerkelijk deels beslagen. Het heeft iets magisch, dat nep en echt hier zo goed naast elkaar kunnen bestaan.

Want dat heeft Philippe Parreno met zijn tentoonstelling overtuigend bewezen: realiteit en fictie hoeven geen tegenpolen te zijn.

Philippe Parreno. T/m 13 febr in de Serpentine Gallery, Kensington Gardens, Londen. Dagelijks 10-18u. Inl: www.serpentinegallery.org