Elitair zijn vraagt inspanning

Er is van alles aan de hand: reizigers zijn ontevreden over de NS, de zorg is te duur, de PVV doet hysterisch over allochtonen, China neemt de Rotterdamse haven over, in Pakistan verliezen democratische krachten steeds verder terrein, korpschef Welten heeft aanstoot gegeven, onze privacy wordt zo goed als opgeheven, er zijn kinderpornonetwerken waarvan je misselijk wordt – en ik lees een boek over vriendschappen en poëticale opvattingen van de Tachtigers, Vrienden & visioenen. De Tachtigers van de negentiende eeuw, welteverstaan.

Ik zit er steeds bij te knikken en vaak glimlach ik om de ingehouden geestigheid van de formuleringen van de schrijver van dat boek, J.D.F. van Halsema, emeritus hoogleraar neerlandistiek van de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Hij schrijft onder meer over de verschuiving in de dichterlijke verwachtingen van Herman Gorter na Mei. Waar in Mei een mythische wereld met goden en godinnen de sensaties tot uitdrukking moest brengen die de werkelijkheid bij Gorter opriep, wilde hij daarna ‘meer werkelijkheid’ toelaten, zonder tussenkomst van die mythische gestalten. Het leven zelf moest in de poëzie zichtbaar worden. Hij schreef er zelf later over: „Ik had zo’n voorgevoel ook dat er in dat leven een nog veel diepere schoonheid verborgen lag.”

Wat is dat voor schoonheid? Als je Gorters sensitieve verzen leest, krijg je er een idee van – trouwens ook als je de eventueel ook wel sensitief te noemen verzen van een veel latere dichter als Kees Ouwens leest. Schittering van licht, wisseling van zijn, de stroom van het leven – nu ja, ik duid hier maar onbeholpen iets aan van wat er allemaal aan de hand is in die poëzie en waarover Van Halsema zo diepgaand en nuancerend schrijft.

Af en toe kijk ik op uit mijn boek, een boek dat me een diep gevoel voor de schoonheid en de rijkdom van het leven geeft, en vraag ik me af hoe dat kan. Hoe het kan dat een studieus boek over dichters van meer dan een eeuw geleden je het gevoel geeft dat dat het leven is, de waarheid en de schoonheid ervan. Niet wáárder dan al die actualiteiten, maar wel – hoe moet je dat zeggen – diepgaander. Zinvoller.

Het zou natuurlijk heel raar zijn om te beweren: „Ach wat, klimaatverandering, die kan me niet schelen zolang ik Gorter lees.” Maar er is gelukkig ook niemand die van ons vraagt dergelijke dwaze keuzes te maken.

Of toch?

Er wil in het debat over de ‘zin’ of erger nog ‘het nut’ van kunst en cultuur weleens zoiets doorklinken, dat het wereldvreemd is, of Schöngeisterei, om je met zulke dingen bezig te houden. Dat je daarmee wat er ‘werkelijk’ aan de hand is tekort zou doen. Nutteloos, elitair gedoe. Beter zou het zijn je tijd aan iets anders te besteden. Iets wat geld opbrengt.

En ongetwijfeld is het elitair, ja, daar valt weinig tegenin te brengen. Maar dat is niet zo erg. Elites hebben wel zin, al wordt er van tijd tot tijd een poging gedaan om ze om zeep te brengen.

Maar ik vroeg me dus af hoe het kan dat zo’n boek je zoveel sensaties bezorgt. Dat komt onder meer door de studieusheid, doordat iemand zich verdiept heeft in een onderwerp en van de lezer vraagt om dat ook te doen. Zonder werkelijke bereidwilligheid om je hiervoor te interesseren, zal het niet lukken. Maar zonder die bereidheid betekenen kunst of studie ook niets. Dat zie je heel goed in kunstkritiek: lees je het stuk van een literair criticus die zich in het oeuvre van een schrijver verdiept heeft, die ook de bronnen kent waaruit de schrijver put, dan wordt zijn recensie interessant – of je het met zijn oordeel eens bent of niet. In het andere geval, en dat zie je steeds vaker, lees je een of ander stuk van iemand met een meninkje. Heel oninteressant.

Het is een populaire misvatting om te vinden dat iedereen steeds iets anders moet gaan doen, dat dus ook recensenten vooral zo min mogelijk over dezelfde schrijvers of kunstenaars moeten schrijven, dat het zelfs nergens voor nodig is om het werk van grote schrijvers of dichters die geen bestsellerauteurs zijn te volgen – alweer een bundel van Kopland? Die slaan we maar eens over.

Daarmee verknoeien de culturele redacties zelf het belang van kunst. Het belang van een kunstwerk is niet gelegen in het vermogen ervan om iedereen die van niets weet ogenblikkelijk te overtuigen. Dan krijg je Dan Brown-kunst. Als dat al iets met kunst te maken heeft.

Het werkelijk belangrijke is vaak helemaal niet eens onder woorden te brengen, maar het kan wel zichtbaar of voelbaar worden gemaakt. Van Halsema schrijft over de vriendschap tussen Herman Gorter en Lodewijk van Deyssel, die elkaar weinig zagen of spraken, maar elkaar levenslang vasthielden „als intieme vrienden die een kostbare kern van werkelijk inzicht met elkaar deelden, eerder als een gezamenlijk geheim dan als iets dat buiten hun wederzijds zwijgende begrip om bespreekbaar kon zijn”.

Zoiets bedoel ik. Niet dat alle werkelijke kunstliefhebbers intieme vrienden zijn – dit gaat over zielsverwantschap en die kan men moeilijk met heel veel mensen voelen. Maar het is van belang ‘een kostbare kern van werkelijk inzicht’ met elkaar te delen. Dat soort inzichten, de moeilijk te veroveren inzichten, de ‘diepere schoonheid’ waarover Gorter schreef, die zijn, onder meer, verbeeld in de kunst. Voor wie de moeite wil nemen om elitair te zijn.