Een weg vinden uit Lapje

Riet Wille en Jan de Kinder: Lapje of het verhaal van een kind dat haar naam vindt. De Eenhoorn, 80 blz, 17,50. 8+

‘Lapje stond op geen enkele kaart. Wegwijzers ernaartoe waren er niet. Niemand kwam langs, niemand ging weg.’ Het is beklemmend in zichzelf gekeerd, het dorp dat Riet Wille schept in Lapje of het verhaal van een kind dat haar naam vindt. Drie oudsten vormen er de leiding en bepalen wat mag en wat niet, zoals wie welke boeken mag lezen en dat het leven buiten het dorp gevaarlijk is.

Alle 26 inwoners hebben een voornaam die begint met een L. Ze hebben allemaal dezelfde saaie kleren en een suf mutsje op hun onveranderlijk sluike, bruinblonde haar. ‘Als de Lappenaars met elkaar praatten’, schrijft Wille, ‘stond er altijd een punt op het einde van de zin. Nooit eens een vraagteken, nooit eens een uitroepteken.’

In dat dorp zal alles veranderen als een wanhopige moeder een karretje met een baby, een pakket en een brief achterlaat bij een kinderloos stel – anarchie! brullen alleen al de rode krullen van het meisje. Lara, zoals ze wordt genoemd, is creatief, eigengereid en nieuwsgierig. Ze versiert de saaie kleren die ze aan moet, ze wil veel lezen en, grootste bron van zorg voor haar pleegouders en de Leiding, ze stelt de hele tijd vragen. ‘Vraagtekens wilden ze het koste wat het kost vermijden. Niets mocht veranderen in Lapje.’

Lapje is een mooi geconstrueerde ode aan luisteren naar je gevoel, ook als je tegen de stroom in moet. In de tekeningen van Jan de Kinder zijn de ontwikkeling van Lara en van het dorp goed te zien. Hij zet in voornamelijk bruin, wit en zwart de strenge sfeer neer, maar voegt, naarmate de boel dankzij Lara verandert, steeds meer kleur en dan vooral rood toe. Speels is zijn aanpak: behalve paginagrote illustraties zijn er strips en een zoekplaatje en twee portrettengalerijen om lang naar te kijken.

Als Lara de brief en het pakket van haar echte moeder vindt en erachterkomt dat ze te vondeling is gelegd – en Sara heet – is er geen houden meer aan. Enthousiast bijgestaan door de vertederende Loes, die het syndroom van Down heeft, waagt ze het rode kleren te dragen en zaait ze twijfel bij de altijd volgzame inwoners van Lapje. Ze vindt een weg uit Lapje en vertrekt. Anderen volgen. ‘Enkele Lappenaars verlieten het dorp, kwamen na een tijd terug en brachten allerlei nieuwe spullen mee. En soms zelfs een nieuwe man of vrouw.’

Het duurt nog jaren, maar uiteindelijk vertrekt iedereen. Of dat erg is, mag de lezer bepalen. Wille laat het in het midden. Dit is in elk geval wat er gebeurt: op de plek waar het dorpsplein was ‘groeien hoge bomen en vogels en andere dieren zijn er de baas’.