Een strompelende staat wordt zelfstandig

Zuid-Soedan is een gebroken samenleving, alleen het leger is georganiseerd.

Het land wordt geleid door derderangs generaals uit de guerrillatijd.

Bij het kindbordeel in Juba werkt een geit een condoom naar binnen op een hoop afval. Meisjes spelen met teddyberen bij de golfplaten kamertjes. John friemelt aan zijn pistool en gouden kettingen. „Ik heb er wel vier per dag”, zegt hij met de borst vooruit. Overdag is hij soldaat, ’s avonds behoort hij tot de niggers, een jeugdbende in de Zuid-Soedanese hoofdstad. Het elf jaar oude straatkind Rosé is zijn favoriet. „Het is beter me te prostitueren en wat geld te verdienen dan verkracht te worden”, zegt ze met een lachje. De eigenaar van het bordeel, een militair, knikt tevreden.

Aan de vooravond van het referendum over onafhankelijkheid op 9 januari is Zuid-Soedan een gebroken samenleving. „Er is een sterke staat nodig om een natie op te bouwen”, zegt Peter Adwok Nyaba, een minister van de Soedanese Volksbevrijdingsbeweging (SPLM), de voormalige zuidelijke verzetsbeweging die nu de regering in het autonome zuiden vormt. „De SPLM heeft haar beloften van sociale verbetering niet waargemaakt en is uiterst corrupt geworden. Tijdens de guerrilla zouden we kindverkrachters hebben geëxecuteerd.”

Ongeveer 85 procent van de soldaten van de gewapende vleugel SPLA, die nu het zuidelijke regeringsleger vormen, kan lezen noch schrijven. Het onderwijs is verbeterd sinds het vredesverdrag met de regering in Khartoum van 2005. Maar nog maar 37 procent van de kinderen boven de zes jaar gaat naar school, met één leraar voor 129 scholieren.

Buitenlandse noodhulporganisaties verschaffen naar schatting driekwart van de gezondheidszorg. 80 procent van de burgers bezit geen toilet. Zuid-Soedan behoort tot de minst ontwikkelde en armste gebieden van Afrika.

„Een strompelende staat”, zo wordt Soedan genoemd door het hoofd van een organisatie van de Verenigde Naties, die anoniem wil blijven. „Nergens in Afrika begon een staat op zo’n slechte basis, met een overheid met zo weinig capaciteiten”, vertelt ze.

„De ministers hebben inmiddels geleerd een begroting op te stellen, maar ze kunnen niet met het geld omgaan. Zuid-Soedan heeft veel olie, maar er is vrijwel geen enkele opgeleide Zuid-Soedanese olie-expert. Het land wordt geleid door derderangs generaals uit de guerrillatijd. Alles moet van de grond af aan worden opgebouwd.”

De gedaanteverandering sinds de vrede van 2005 had voornamelijk plaats in de drie grote steden: Juba, Wau en Malakal. Het stof is opgetrokken sinds er voor het eerst asfaltwegen liggen, er zijn nu hotels in Juba en er ontwikkelen zich kleine files bij rotondes. Soms stroomt er zelfs water uit de kranen en is er elektriciteit.

Alle auto’s zijn dure terreinwagens, van de overheid of van de 160 buitenlandse ontwikkelingsorganisaties. De aanwezigheid van de talrijke buitenlandse hulpverleners zorgt voor hoge prijzen.

Er is geen exportindustrie behalve een door noorderlingen geleide olie-industrie die de afgelopen vijf jaar naar schatting 6 miljard euro heeft binnengebracht. Hoewel het land een gigantisch agrarisch potentieel heeft, komt de helft van zijn voedselbehoefte van buiten – Oegandezen en Kenianen importeren het voedsel. Van commerciële productie is nog nauwelijks sprake.

Anne Ito is minister van Landbouw. „De oorlog heeft een permanente invloed op hoe we denken, werken en leven”, zegt ze. „Zeventig procent van onze inkomsten gaat naar salarissen, vooral voor de soldaten. Veiligheid had onze prioriteit de afgelopen jaren, anders hadden we het nooit zover geschopt.” Het ministerie van Landbouw kreeg kleine bedragen toebedeeld, hoewel volgens economen hier de economische toekomst van Zuid-Soedan ligt. „We hebben experts nodig. Ik heb al bereikt dat meer boeren met ossen ploegen. Dat is vooruitgang! We staan aan het vertrekpunt van onze natie.”

De regering in Noord-Soedan heeft vrijwel niets gedaan aan ontwikkeling van het zuiden en veel opgeleide noorderlingen vertrekken nu uit angst voor hun lot na de onafhankelijkheid. Om de ambtenarij op te bouwen leveren buurlanden met financiële hulp van de VN tweehonderd functionarissen. Die moeten hun Zuid-Soedanese collega’s bijstaan.

„We moeten snel een staat helpen opbouwen”, zegt het hoofd van een VN-organisatie. „Met het oog op het referendum wijzen alle neuzen in Zuid-Soedan nu dezelfde kant uit. Maar de politieke en tribale scheidslijnen zullen straks opnieuw zichtbaar worden. De politieke klasse moet zich ontdoen van de oude generatie guerrillastrijders, want zij falen als bestuurders. We moeten een mislukte staat voorkomen.”

Het verleden wreekt zich op de bestuurders van de voormalige verzetsbeweging. Tijdens de in 1983 begonnen oorlog was de SPLM vrijwel alleen bezig met vechten. Gebieden werden op het Noord-Soedanese leger veroverd, maar voor de bevolking zorgden de rebellen niet. De SPLM leerde niet besturen, het ontbrak de opstandelingen aan een strategie voor economische ontwikkeling.

„We zijn nog meer stuurloos dan vroeger”, meent SPLM-minister Peter Adwok. „Door de grote corruptie in de Zuid-Soedanese overheid raken hebberige mensen in de SPLM-kliek met elkaar in conflict. President Salva Kiir heeft niet genoeg invloed om daar een einde aan te maken.”

De SPLM is de dominante partij, maar is niet onverdeeld populair. Bestaat er een kans op een eenpartijstaat? „Nee”, glimlacht Peter Adwok. „Ik zie vele donkere wolken hangen, maar geen dictatuur. Want er is geen militaire klasse, zoals in andere Afrikaanse landen. Ze missen de capaciteiten om een dictatuur te vestigen.”

Zuiderlingen arriveren uit Noord-Soedan in de haven van Juba. Veel zuiderlingen die tijdens de oorlog uit het zuiden waren gevlucht, keren nu terug, voorafgaand aan het referendum over onafhankelijkheid.