Een stokpaardje voor dwazen?

Politici vergissen zich als ze de kiezersgunst proberen te winnen door voorbij te gaan aan de behoefte van het volk aan kunst en cultuur. Minister-president Rutte, keer terug van uw dwaalweg!

‘Ons principe is, mijne heren, is dat we ons niet bemoeien met Kunst...’Dat de liberalen uit de school van Thorbecke, niets, volstrekt niets voor Kunst wilden doen, is af te leiden uit de uitspraak des Meesters: ‘Kunst is geen Regeringszaak’. De Regering mag voor dingen die haar niet aangaan, evenmin een enkele cent uitgeven, als tonnen of miljoenen. Om consequent te zijn, behoort men dan ook ’n eind te maken aan ’t onderhouden van de pakhuizen waarin hier en daar schilderijen geborgen zijn. Al werd er slechts één gulden voor Kunst besteed, dan nog zou dit juist één gulden te veel zijn, want: ‘Kunst is geen Regeringszaak’.

Wie berekent het bedrag der winstderving aan verwaarloosde rente van zo’n museum vol schilderijen? Dat bedraagt miljoenen! Ze behoorden sedert lang verkocht te zijn, en de opbrengst had kunnen dienen tot amortisatie van schuld, of tot het pantseren van oorlogschepen die... ook weldra geschikt zullen zijn voor ’n museum. Daar de ‘wetenschappen’ niet in de liberalen banvloek begrepen zijn, durf ik ’t verkopen der bibliotheken niet voorstellen. Doch wel zal ’t nodig zijn, zich te ontdoen van werken waarin platen worden gevonden, omdat zulke uitwassen van beschaving niet behoren tot Regeringszaken. En ook in literatuur moet ’n zeer nauwkeurige schifting plaats hebben. Verzenmakerij... weg daarmee! Romantiek... weg! Bellettrie... weg! De liberale Tweede Kamer geeft het voorbeeld, en vergadert onder ’n tent of in ’n rotskloof. Een druïdische offersteen vervangt de ministertafel, en de Voorzitter opent de vergadering door ’t blazen op ’n schalmei... te kunstig, o goden! ’t Behoort ’n afgekloven berenmergpijp te wezen. De beestenvellen waarin de heren gekleed zijn...

Ontstaat er dan geen verwijdering tussen de burgers van de Staat en de Staat zelf? Dit is juist wat ik bewijzen wilde. Een historisch ontwikkeld volk is geen horde, die met kracht van wapenen in bedwang wordt gehouden. Er is ’n zedelijke band nodig. En deze band wordt verbroken, wanneer er blijkt dat de Regering lager staat in levensopvatting dan de Natie zelf.

Heeft men niet ook in ’t dagelijks leven eerbied voor den man die wat kan? Voor Kunst alzo? Wat is er te wachten van ’n Regering die ’t versmaden der Kunst, het niet kunnen dus, op haar vaandel zet? Ik voor mij vrees dat dan de uitspraak ‘Kunst is geen Regeringszaak’ neerkomt óf op ’n ondoordachte effect-frase, óf op populariteitsbejag. De betekenis zou dan zijn: ‘Gij winkeliers wordt verzocht voort te gaan met het afvaardigen van geestverwanten. Ik beloof u, niets uit te geven voor schilderijen of standbeelden, en dus niet zwaar te drukken op uw krenten, gemaal en smeerkaarsen!’

Kom aan, we zullen iets klinkends zeggen over Kunst! Zie hier ’t schema van ’n nooit gehouden verhandeling:

‘Ons principe is, mijne heren, is dat we ons niet bemoeien met Kunst...’

Dat ’s niets nieuws, roepen de tegenstanders. Uw grondbeginsel werd sedert lang beoefend door Hunnen, Vandalen, Vuurlanders, Irokezen, Chippawaijs en Nadowessiërs... en zelfs door ons, conservatieven.’

‘Laat ons wél wezen, mijne heren! Dat ons principe sedert onheuglijke tijden beoefend werd, tot levendmakende kracht verheven werd het nooit! Dit hebben noch Vandalen, noch Behouders gedaan. Weg dus met Homerus, Apelles, Sophocles! Weg met de Muzen! De Kunst is een stokpaardje van dwazen. De verstandige beoefent alleen de enig-zaligmakende religie van... ’t gekozen worden, en houdt zich ver van de gekken.’

Geen Kunst? Dat noem ik: niet-kunnen.Geen poiesis? Dat noem ik: niet maken, niet scheppen, niet voortbrengen. Dat noem ik onvruchtbaar zijn. De liberalen hebben ’n zonderlinge greep gedaan, door tot voorwerp van bijzondere afkeer juist iets te kiezen dat we wel beschouwd veel minder kunnen missen dan lompen en oud-ijzer. Wat deden we met die lompen, als er geen Kunst bestond om ze te veranderen in papier? Wat met dat ijzer, zonder metallurgie? Welnu... de man heeft het zo kwaad niet gemeend. Er is Kunst en Kunst. De principes van onze ‘staatsman’ zijn slechts gekant tegen schone kunsten. Dan vraag ik waar de schoonheid ophoudt, om plaats te maken voor ’t utilitaire? Doch liever nog of de ontwikkeling van ’t schoonheidsgevoel zelf niet ’n zeer utilitaire zijde heeft

Geen Kunst? Wie zich op zó’n standpunt plaatst, levere dan tenminste stoffelijke welvaart! Niet ik stel deze zaken tegenover elkander. Integendeel. Ik beweer dat ze zeer nauw verwant zijn. Doch wie vulgair genoeg van opvatting is, om ’t besef van het schone te stellen tegenover de werkelijkheid, behoorde te kunnen wijzen op de triomfen die behaald werden door z’n dorre praktijk. En dit kunnen ze niet, omdat de tegenstelling vals is.

De ‘staatsman’ vergist zich, als-ie verdienste zoekt in ’t miskennen van de behoefte des Volks aan geestelijke ontwikkeling. Het is er ver vandaan dat ik de Schone Kunsten zou willen opgenomen zien onder de middelen waardoor de Politie zich gehoorzaamheid moet verschaffen. Maar dat de handhaving van orde gemakkelijker gaat onder ’n beschaafd Publiek dan onder ’n woeste bende, zal toch wel erkend worden. Ook in dit opzicht is het dus ’n politieke ketterij, minachting of ignorantie voor te wenden omtrent ’n beschavingsmiddel. De ontwikkeling van ’t Kunstgevoel werkt op de wijze van wonen, op kleding, op voeding, op handel en verkeer, op fabrieken, op de keus van vermaak. Ieder zal ’t verband inzien tussen de Kunstwaardering en de staatkundige gezindheid eens Volks. De gevolgen hiervan openbaren zich tot ver over de grenzen, en werken terug op de achting die ’t Buitenland zo’n Volk toedraagt.

Een minister die openlijk verkondigt geen acht te willen slaan op ’t enige middel dat ’n kleine natie ten dienste staat, om zich door omliggende mogendheden te doen eerbiedigen, begaat ’n aanslag tegen ’t Volksbestaan. Wie de materiële betekenis van ’t ideale uit het oog verliest, is ’n slordig huishouder. Het waarderen van Kunst door de Regering, is Volkszaak.

Het bovenstaande is een herspelde, door schrijver Atte Jongstra gemaakte, combinatie van de ‘Ideën’ 1050c, 1050d en 1051 van Multatuli. Hij schreef ze in 1872, toen in de Tweede Kamer werd gedebatteerd over de vraag of de bouw van een Rijksmuseum op de staatsbegroting mocht staan. Daarbij werd de oude mantra ‘Kunst is geen regeringszaak’ van de liberale staatsman Rudolf Thorbecke aangehaald. Multatuli mengde zich in de discussie, onder het motto: ‘Regeerders die menen dat kunst geen regeringszaak is, maken ’t regeren tot ’n kunstje.’