Eén, of twee drie Hamlets

In het nieuwe beleidsvoorstel voor theater dringt staatssecretaris Halbe Zijlstra van Kunst en Cultuur aan op ‘samenwerking tussen de gezelschappen.’ Regisseurs als Ivo van Hove en Theu Boermans verlangen daar al langer naar. „Maar samenwerking mag niet leiden tot samenvoeging en opheffing.”

Is actrice Halina Reijn van Toneelgroep Amsterdam verdwaald in een Vlaamse toneelkeuken? Of is Wim Opbrouck, van NTGent, per ongeluk op de speelvloer van de Amsterdamse Stadsschouwburg terechtgekomen? De koortsachtig acterende Jacob Derwig heeft een vrouw van Vlaamsen huize als echtgenote, gespeeld door NTGent-actrice Hilde Van Mieghem.

In de voorstelling Kinderen van de zon zijn de beste acteurs verenigd van twee gezelschappen: Toneelgroep Amsterdam en NTGent. Regisseur Ivo van Hove streeft al lange tijd naar bundeling van krachten. De acteurs van verschillende huizen inspireren en verrijken elkaar. „Eén plus één is drie”, aldus Van Hove. Het resultaat is meer dan de som der delen.

Tal van toneelgezelschappen werken uit inhoudelijke overwegingen volop samen. Zo heeft Toneelgroep Amsterdam (TA) een intensieve band met het Vlaamse NTGent en met de jonge theatermaker Eric de Vroedt, die werkt aan de reeks Mightysociety. Ook Female Economy van Adelheid Roosen heeft zich aan dit gezelschap verbonden. Het Noord Nederlands Toneel (NNT) bracht onlangs het overweldigende Heelhuids & Halsoverkop, een countrymusical uit. Dansers van Club Guy & Roni uit Groningen wervelden tussen de toneelacteurs van het NNT. Regisseur Ko van den Bosch zette choreograaf Guy Weizman in om tot een synthese tussen dans en toneel te komen.

Regisseur en algemeen directeur Ivo van Hove van TA bepleit bovendien intensieve coöperatie met twee belangrijke toneelpodia in ons land, waar vernieuwend theater wordt gebracht: Theater Frascati in Amsterdam en De Toneelschuur in Haarlem. Het gezelschap zelf is vaste bespeler van de Amsterdamse Stadsschouwburg.

Regisseur Van Hove hield vier jaar geleden op het Theaterfestival de rede ‘De Staat van het Theater’, waarin hij zich verzette tegen de versplintering van het toneelaanbod. Van Hove zei: „In Nederland ben je pas een theaterpersoonlijkheid als je een eigen groep hebt opgericht. (-) Elke groep met een brokje subsidievoedsel moet dat voor een deel besteden aan een kantoor, een zakelijk leider, publiciteit en techniek. Heilloos.”

Regisseur Theu Boermans van de Theatercompagnie, onlangs aangesteld als artistiek leider van het Nationale Toneel in Den Haag, is ook voorstander van samenwerking. Boermans: „In Nederland bepaalt de leider van een ensemble het artistieke gezicht. Dat staat samenwerking in de weg.”

Samenwerking, onderling overleg: dat zijn ook sleutelwoorden in het nieuwe beleidsplan voor theater. In zijn brief van 17 december 2010 aan de Raad voor Cultuur, het adviesorgaan van het ministerie van OCW, schrijft staatssecretaris Halbe Zijlstra (VVD) van Kunst en Cultuur onder meer: „Ik constateer dat er op dit moment sprake is van overlap en versnippering. (...) Meer dan voorheen verwacht ik van instellingen en makers dat zij – al dan niet collectief en in samenwerking met de branche – hun eigen ondersteuning realiseren of organiseren. Ik verzoek u [= Raad voor Cultuur, red.] aan te geven welke mogelijkheden er zijn voor bundeling van ondersteunende taken.”

De angst van voorstanders van samenwerking in de toneelwereld is nu dat zij de staatssecretaris ongewild en onbedoeld een troef in handen geven. Staatssecretaris Zijlstra wil een bezuiniging van 200 miljoen op de podiumkunsten realiseren. Als instrument daarvoor eist hij verregaande samenwerking en zelfs fusering. Met andere woorden: als twee gezelschappen samengevoegd worden, dan vervalt de subsidie van een van de twee.

Ivo van Hove, die vaak in New York werkt bij de New York City Theatre Workshop, klinkt aan de telefoon verontwaardigd dat het begrip „samenwerking” opeens opduikt op gezag van een bezuinigende staatssecretaris. Dat was nooit de bedoeling. Veel toneelgezelschappen zijn bang zijn hun ‘artistieke signatuur te verliezen’.

De sector podiumkunsten kan zich beroemen op ruim duizend premières per jaar. In een middelgrote stad als Arnhem zijn op een steenworp afstand van elkaar twee toneelgezelschappen gevestigd: Toneelgroep Oostpool en Keesen&Co. Ook huisvest Arnhem het productiehuis Generale Oost, dat jonge theatermakers de kans biedt voorstellingen te maken. Arnhem kent bovendien een Schouwburg waar voorstellingen van zowel Keesen&Co als van Toneelgroep Oostpool in première gaan. Oostpool beschikt ook over een eigen theater.

Ook Rotterdam kent twee toneelgezelschappen met een eigen zaal: het Onafhankelijk Toneel en het Ro Theater. En er is natuurlijk de Rotterdamse Schouwburg. Maastricht heeft het gezelschap Toneelgroep Maastricht en Het Huis van Bourgondië – geen ensemble, wel een productiehuis dat jonge regisseurs, acteurs, musici en decorontwerpers de mogelijkheid biedt toneel te maken.

Deze voorbeelden zijn symbolisch voor de verspreiding van toneelgroepen en productiehuizen over heel Nederland. Net als Arnhem en Rotterdam kennen Tilburg, Utrecht, Groningen, Amsterdam en Maastricht meerdere ensembles.

Deze situatie is jarenlang voor alle betrokkenen vertrouwd geweest. Het publiek heeft een ruime keuze aan voorstellingen, waarvan er soms in een weekend meerdere in première gaan. Artistiek leider Rob Klinkenberg van de Arnhemse Toneelgroep Oostpool erkent dat hij vaak verrast wordt door de gelijktijdige programmering van zowel premières als voorstellingen. Zo bracht zijn gezelschap dit seizoen Hamlet. Klinkenberg: „We beschikten over de juiste hoofdrolspeler en de juiste regisseur. We kwamen erachter dat ook Jos Thie van De Utrechtse Spelen een Hamlet ging brengen, kort na onze première. Dat speet ons wel. Je wilt toch met zo’n productie uniek zijn. Dit is een bewijs dat er in veel gevallen weinig inhoudelijke afstemming is.”

Ruud van Meijel, zakelijk leider van Toneelgroep Oostpool, acht de „plotseling opgelegde bezuiniging in de kunstensector buitensporig”. Hij zou graag wensen dat er meer visie komt, zodat de instellingen zich kunnen beraden op maatregelen. Van Meijel: „De kaasschaafmethode is niet toereikend, dus zullen er gezelschappen moeten sneuvelen, of opgaan in andere gezelschappen. Ik zie meer heil in samenwerking met de Schouwburg van Arnhem dan met een gezelschap als Keesen&Co. Een stadsgezelschap naar Duits model lijkt mij interessant. Dat betekent dat we kunnen repeteren in de schouwburg en er voorstellingen kunnen uitbrengen die lange tijd op het repertoire staan.”

Als het om samenwerking gaat, zegt regisseur Ola Mafalaani van het Noord Nederlands Toneel: „We werken al jarenlang samen met Dansclub Guy & Roni, productiehuis Station Noord, het Goningse Grand Theatre en het Noord Nederlands Orkest. Zijlstra heeft geen andere opzet dan de kunstensector bang te maken. Hij beschuldigt ons ten onrechte van individualisme.”

Peter Jansen van de belangenorganisatie Nederlandse Associatie voor Podiumkunsten (NAPK), waarvan zo goed als alle theatergezelschappen lid zijn, voegt hier aan toe: „Het is altijd de intentie van theatermakers zoveel mogelijk toeschouwers te bereiken. Als je daar door gedwongen samenvoeging in gaat snijden, dan ontneem je veel mensen de kans artistiek waardevol theater te bezoeken. Iemand uit Zeeland moet dan altijd naar Rotterdam reizen. Dat staat haaks op het huidige beleid.”

Theu Boermans waarschuwt dat „samenwerking niet mag leiden tot samenvoeging en opheffing. Dat is nooit de intentie geweest en dan heeft de staatssecretaris ons verkeerd begrepen.” Boermans: „Samenwerking is in de nabije toekomst een gegeven. Bij het Nationale Toneel hebben acteurs van De Appel regelmatig gastrollen gespeeld. Ook delen gezelschappen in repetitieruimte, kostuums en decorbouw. Maar samenvoeging reikt verder. Dat zou betekenen dat het ene gezelschap opgaat in het andere.”

Artistiek leider Aus Greidanus van De Appel vreest dat grotere huizen de kleinere gaan opslokken: „De eis tot samenwerking mag geen stiekeme sterfhuisconstructie betekenen. Ik ben het met Ivo van Hove eens dat er uitsluitend een artistieke aanleiding moet zijn. Stel dat het Nationale Toneel en De Appel een reusachtig gezelschap zouden worden, dan leidt dat onherroepelijk tot artistieke verschraling. Onze speelstijlen zijn te verschillend. Fusering van gezelschappen is in artistiek opzicht oninteressant. Je lost er niets mee op. Bovendien creëer je werkloosheid. Moeten alle overschietende acteurs en technici in de werkelozenwet? In dit opzicht maakt de staatssecretaris een denkfout. Ik geloof wel in verrassende combinaties waardoor 2 plus 2 opeens 5 is.” 

Walter Ligthart, zakelijk leider van het Nationale Toneel, meent dat „samenwerking mag nooit uit een defensieve houding voortkomen. Een gezelschap moet een dergelijk contract alleen aangaan als het voor beide partijen een meerwaarde heeft. In Den Haag moeten we een gesprek aangaan met De Appel. De tijd dat er tussen onze voorganger de Haagse Comedie en De Appel een onoverbrugbare kloof bestond, is voorbij. Deze tijd vraagt om samenwerking en nieuwe combinaties.”

Hiermee zijn we terug bij ‘De Staat van het theater’ van Van Hove uit 2006: „Goede, kwaliteitsvolle doorstroming is geen bedreiging voor de productiehuizen en voor de theatergezelschappen, maar een kans.” De toneelwereld heeft dat al ingezien. Het is navrant dat de staatssecretaris nu juist samenwerking vereist om tot verregaande bekorting van subsidiegelden te komen.