Natuurkudden

Jaar-rondbegrazing met winterharde grazers geeft natuurgegebieden extra structuur. Natuurlijke geboortebeperking houdt de omvang van de kudde in grote natuurgebieden in toom, jacht of roofdieren zijn daarvoor niet nodig.

Ze zijn groot en zwart, met zware, imposante horens, de Heckrunderen die door de Oostvaardersplassen sjokken. Dit zijn de moderne opvolgers van het uitgestorven oerrund. Ze hebben gezelschap van een kudde van zo'n 450 blonde koniks, primitieve paarden van Poolse komaf, en van een groep edelherten. Samen moeten ze dit landschap open houden.

Bioloog Theo Vulink volgde de grote grazers jarenlang dagelijks in het veld en turfde elke hap die ze namen. Hij analyseerde de chemische samenstelling van de uitverkoren voedselplanten, mat de hoogte van grassen en rietstengels, legde relaties met de langetermijnontwikkeling van de vogelstand, waarbij soorten kwamen en gingen. Om inzicht te krijgen in de `zelfredzaamheid' van de grote grazers, die jaar-rond buiten liepen, zette hij de dieren regelmatig op de weegschaal. Een schat aan gegevens is nu gebundeld in een lijvig, bijna 400 pagina's dik proefschrift, waarop Vulink vrijdag in Groningen promoveerde.

``We hebben de ontwikkelingen in het veld bijna 25 jaar lang onafgebroken gevolgd, zulke langlopende reeksen zijn uniek!'' zegt de onderzoeker, die bij het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling in Lelystad werkt. Vulink is opgegroeid op een boerderij in Salland, een gemengd bedrijf bij Raalte. ``Ik was van huis uit vertrouwd met vee, ik heb altijd van beesten gehouden, maar zelf boer worden wilde ik niet.'' Hij werd chemisch analist bij Akzo, maar raakte zozeer in de ban van de biochemie, dat hij alsnog in Groningen biologie ging studeren. Op Spitsbergen werkte hij mee aan het ganzenonderzoek van de dierecoloog prof. Rudi Drent. Hij onderzocht de spijsvertering van brandganzen en ontwikkelde nieuwe in vitro-technieken, om de microbiële verteringsprocessen van de ganzen in de reageerbuis na te bootsen en raakte verslingerd aan het waterrijke, ongerepte toendralandschap.

Na zijn afstuderen werd hij ingeschakeld bij het begrazingsonderzoek in de Oostvaardersplassen. Sinds 1982 lopen hier paarden en runderen en sinds 1992 ook edelherten. De grazende viervoeters zorgen dat het open landschap niet dichtgroeit met riet en struweel. Daardoor blijft het aantrekkelijk voor talloze vogels, zoals ganzen, eenden en steltlopers. Buizerds, kiekendieven en andere roofvogels jagen op muizen en ander klein grut. In voor- en najaar verschijnen veel trekvogels.

Vulink onderzocht de langetermijnontwikkelingen van ganzen, steltlopers en muizenetende roofvogels zoals buizerd, torenvalk en velduil. ``Vooral voor de eerste twee groepen wordt het terrein snel onaantrekkelijk als het niet wordt begraasd'', vertelt hij. ``Ganzen en weidevogels zullen snel verdwijnen. Muizenetende roofvogels zijn nog wel gebaat bij een iets ruigere vegetatie, want daarin zitten meer muizen.'' Behalve in de Oostvaardersplassen deed hij ook vergelijkend onderzoek in de Grevelingen en rond het Lauwersmeer, in het Krammer-Volkerak en in de ongerepte Russische Petsjora-delta, die voor Nederlandse ecologen schitterend vergelijkingsmateriaal biedt.

Vulink: ``De plant-dierrelaties in zo'n groot natuurgebied zijn fascinerend. Als je die dieren dagelijks in het veld volgt, ga je aanvoelen welke plant ze als volgende hap zullen kiezen.'' Waarin verschillen de grazers onderling? Een eerste opmerkelijk verschil is dat koeien als herkauwers beter dan paarden in staat zijn om giftige planten te eten. In hun pens breken zij de anti-vraatstoffen af waarmee planten zich wapenen tegen vraat. Daardoor kunnen koeien volop vlier eten, ook al bevat die blauwzuurverbindingen. Paarden hebben een ander verteringsstelsel, waarbij de microbiële spijsverteringsprocessen zich pas aan het eind van het traject afspelen in de dikke darm. Een paard zal nooit een hap vlier nemen. Ook de kruipwilg, net als de vlier een pioniersplant van nieuwe natuurterreinen, laten paarden links liggen. Kruipwilgen zijn rijk aan tannineverbindingen. Bij experimenten in het Lauwersmeer bleek dat paarden hier niet mee overweg kunnen, runderen veel beter en geiten nog beter, dankzij hun aangepaste verteringsstelsel.

Anderzijds kunnen paarden veel meer plantmateriaal met een hoog ruw celstofgehalte aan. Als een koe veel riet of duinriet met taaie celwanden heeft gegeten, moet zij vrij lang herkauwen voordat de verteerde deeltjes klein genoeg zijn om de pens te verlaten. Pas als haar pens leeg is, kan de koe nieuw voedsel aan. Een paard verteert zijn voedsel veel sneller. De makkelijk verteerbare delen worden benut en de rest snel weer uitgepoept. Bij ganzen gaat het nog sneller, die eten en poepen aan één stuk door.

In de dikke darm en in zogenoemde `blindzakken', een soort blindedarm van paarden en ganzen, groeien bacteriën op de slecht verteerbare cellulose of hemicellulose uit de ruwe celwanden van de planten. Daarbij ontstaan vetzuren, die in de bloedbaan van het dier worden opgenomen en als extra energiebron dienen, nadat al eerder, in de maag, een deel van de koolhydraten uit het voedsel zijn gehaald. Omdat paarden niet herkauwen, kunnen ze bovendien per dag wel 4 of 5 uur langer grazen dan koeien. Daardoor verliezen ze 's winters minder gewicht en er is minder wintersterfte.

Hiërarchie

In natuurgebieden verkiezen paarden de grazige vlakten, waar ze het gras kort afbijten. Vermoedelijk voelen paarden zich van oudsher op de open vlakte thuis. Het zijn snelle dieren, die goed kunnen vluchten. Bovendien leven zij, anders dan de Heckrunderen, bij voorkeur in één grote kudde en dat vraagt veel ruimte. Die grote groep lijkt rommelig, maar er heerst een strikte hiërarchie. Er zijn groepjes harems van telkens één volwassen hengst met drie of vier merries en een aantal veulens.

Runderen leven in een heel andere sociale structuur, en daardoor hebben ze ook een ander effect op de vegetatie. Volwassen stieren verdelen zich in `stiergroepen' van vijf tot tien volwassen dieren over het terrein. Vrijwel het hele jaar leven ze in hun eigen `home range' van zo'n 50 tot 100 hectare. Elke stiergroep gebruikt dus maar een klein stukje van de uitgestrekte Oostvaardersplassen en ze blijven wijselijk uit elkaars buurt. De koeien trekken dagelijks door het hele terrein. Ze komen langs alle verschillende stiergroepen en kiezen zelf een geschikte stier uit als vader van hun nageslacht. Al met al zijn de Heckrunderen veel beter dan de Konikpaarden over het terrein verdeeld, tot in alle uithoeken, waar solitaire en mogelijk verzwakte stieren zich terugtrekken.

Deze ruimtelijke spreiding over het natuurgebied is vooral 's winters van belang. 's Zomers eten alle grazers het liefst mals gras. Pas 's winters, als het gras opraakt, trekken de dieren de riet- en ruigtevelden in en eten wortels en twijgen van jonge boompjes. Oorspronkelijk, toen ons land nog niet door snelwegen, spoorlijnen en rasters werd doorsneden, trokken de grazers – waaronder ook reeën, edelherten, elanden en wisenten – zich 's winters terug op hogere, drogere gronden, zoals de Veluwe of het Drents Plateau. Daar aten ze bijvoorbeeld dwergstruiken en wintergroene grassen, zoals bochtige smele. 's Zomers daalden ze af naar drassige uiterwaarden en `coastal wetlands', zoals de Zuiderzee-oevers. Nu zitten ze zomer en winter opgesloten in de lage, natte, en 's winters nogal schrale Oostvaardersplassen.

Vulink: ``Ik ben een groot voorstander van ecologische verbindingszones tussen natuurgebieden. De dieren kunnen dan hun natuurlijke trekroutes volgen en het landschap optimaal gebruiken. En hoe groter een natuurgebied, des te groter de soortenrijkdom.'' Hij verwacht dat binnen tien jaar een flink stuk van de Ecologische Hoofdstructuur klaar zal zijn. Dan kunnen de grazers bijvoorbeeld vanaf de Veluwe naar de uiterwaarden van de IJssel – waar veel aan natuurontwikkeling wordt gedaan – trekken, of door het Renkumse Beekdal naar de oevers van de Rijn.

Overigens zijn de winterharde `natuurlijke' grazers in het natuurbeheer al weer op hun retour. Steeds meer natuurbeheerders hebben hun Galloways, Schotse Hooglanders of Koniks van de hand gedaan. Nu scharen ze 's zomers runderen en paarden van boeren in. Daar hebben ze 's winters geen omkijken naar en ze hoeven geen hoge kosten te maken om de dieren bij te voeren. ``Toch is het jammer'', vindt Vulink. ``Jaar-rondbegrazing kan in natuurgebieden erg waardevol zijn, omdat de dieren een hechte sociale groep gaan vormen. Ze leren het terrein precies kennen en ontwikkelen vaste graaspatronen. Dat geeft extra structuur aan zo'n natuurgebied.''

De afgelopen vier jaar deed hij ook onderzoek aan de 41 Schotse Hooglanders die al sinds 1989 in de Duursche Waarden bij Olst aan de IJssel graasden en die onlangs werden afgeslacht wegens de mond- en klauwzeercrisis. Vulink: ``Die dieren waren helemaal vertrouwd met dat terrein, zo wisten ze op den duur precies waarheen ze bij hoogwater moesten vluchten.'' De 260 Schotse Hooglanders bij het Lauwersmeer, waaraan hij ook veel onderzoek heeft gedaan, bevinden zich dicht bij de Friese MKZ-haard en Vulink houdt zijn hart vast. ``Het is een ellendige toestand.''

Aaibare dieren

In het verleden hebben natuurbeheerders volgens Vulink te vaak verschillende doelstellingen met elkaar verward. ``Je moet daarin duidelijk zijn. Wil je leuke, aaibare dieren als extra attractie voor het publiek? Of wil je in de eerste plaats dat je terrein niet verruigt, zodat het aantrekkelijk blijft voor vogels en zeldzame planten?'' Als dat laatste de bedoeling is kan men beter zorgen voor een flinke `graasdruk' in de zomer, want dat heeft veel meer effect op de vegetatie. Als de grazers jaar-rond in het terrein moeten leven, kunnen er maar weinig dieren lopen (hooguit 1 of 2 dieren per 10 hectare) en dan groeit de vegetatie ze 's zomers letterlijk boven het hoofd. Vulink: ``Als de dieren 's zomers in die natte graslanden lopen en 's winters naar hogere, drogere gronden kunnen trekken kan jaar-rondbegrazing prima werken en krijg je toch een flinke graasdruk in de zomermaanden. Bovendien zouden natuurbeheerders veel meer moeten samenwerken met biologische boeren. Die zitten te springen om meer land om hun bedrijfsvoering te extensiveren. Zij willen 's zomers best 9 tot 12 dieren per 10 hectare in natuurgebieden laten grazen. In de gangbare landbouw zijn dat er wel 20 tot 30 per hectare.''

Juist in de Oostvaardersplassen is veel tumult geweest over het lot van de grote grazers. In sommige strenge winters is wel 40 procent van de Heckrunderen gestorven. Het publiek was daar boos over en sprak van dierenmishandeling. En volgens boeren in de omgeving zouden de karkassen van dode dieren in het terrein besmettelijke veeziekten kunnen veroorzaken. ``Ik wil niet op de stoel van de terreinbeheerder gaan zitten. Maar persoonlijk denk ik dat een Heckrund beter stilletjes in het besneeuwde riet kan sterven dan onder de stress in zo'n slachthuis'', zegt Vulink, die vegetariër is. ``Bij het leven hoort de dood. Er wordt getreurd om een dood Heckrund, maar niet om een dode muis. Toch hebben ze allebei hun intrinsieke waarde.''

Crashes

Bijzonder is dat in een groot natuurgebied als de Oostvaardersplassen niet wordt gejaagd om de aantallen van de wilde dieren in toom te houden. Daardoor treden nu interessante natuurlijke mechanismen van `geboortebeperking' aan het licht. Vulink: ``Dat is heel interessant om te volgen. Over de vraag hoe dat terugkoppelingsmechanisme in zijn werk gaat, zijn de meningen verdeeld. Volgens sommige deskundigen wordt de stand van bijvoorbeeld de edelherten beperkt door crashes die optreden als de draagkracht van het leefgebied wordt overschreden. In zeer strenge winters zou wel 30 tot 60 procent van de dieren sterven en daarna herstelt de stand zich. Volgens anderen zijn geleidelijke mechanismen in het spel. Naarmate de dichtheden in het leefgebied toenemen, worden er geleidelijk minder jongen per moederdier geboren en sterven er meer jongen.

Dit laatste lijkt in de Oostvaardersplassen het geval te zijn. Geleidelijk worden er minder jonge kalfjes, veulens en hertenkalfjes geboren.'' De natuurlijke geboortebeperking in schrale tijden treedt minder snel op bij reeën, wilde schapen en andere dieren die gemiddeld twee jongen krijgen dan bij rund en paard, die gewoonlijk maar één jong krijgen. De eerste jaren zijn de kuddes snel gegroeid, pas later vlakten de aantallen af. Vulink: ``De meeste ecologen zijn het er tegenwoordig over eens dat de aantallen grazers in de eerste plaats worden bepaald door het voedselaanbod, dus door de plantengroei, en verder door sterfte in strenge winters en parasieten. De theorie dat de dichtheden van de grazers door roofdieren worden bepaald, zoals de jagers zeggen, is onjuist. Wèl zijn roofdieren nuttig omdat zij de dieren door het terrein jagen, zodat het hele leefgebied benut wordt, en omdat zij zieke, zwakke dieren opruimen.'' Voor een zelfregulerend ecosysteem met wolven en lynxen als roofdieren is een leefgebied van zo'n 50.000 hectare nodig, tienmaal zo groot als de Oostvaardersplassen.

Van nature is een moerasgebied geen stabiel, blijvend ecosysteem. Het zal verlanden, of verdrinken, en dan zal op een andere plek weer een nieuw moeras ontstaan. Om de natuurlijke dynamiek van de Oostvaardersplassen te behouden, is het waterbeheer een sleutelfactor. Zo werd het gebied medio jaren tachtig drooggelegd en daarna weer blank gezet, om de natuur ``opnieuw te laten beginnen''. De vogelstand ging daardoor flink vooruit. In zo'n pioniersfase zijn er volop planten, waarvan zaadetende vogels leven, die op hun beurt weer aanlokkelijk zijn voor de zeearend. Vulink: ``Naast begrazing is vooral waterbeheer een sleutelfactor om meer dynamiek in het ecosysteem te brengen. Als men gebieden 's winters met brak of zout water onder water zet, komt de plantengroei in het voorjaar later op gang. Daar profiteren de ganzen en veel andere vogels van. We hebben dit voorjaar wel 13 paren grote zilverreigers en twee paar kleine zilverreigers in het terrein. Dat is toch uniek!''

J. Theo Vulink: Hungry herds, Management of temperate lowland wetlands by grazing. Van Zee tot Land-reeks nr. 66, Lelystad, 2001. ISBN 90 369 1258 x