De mens met vreemde blik

Herta Müller: De koning buigt, de koning moordt. Essays. Uit het Duits vertaald door Ria van Hengel. De Geus, 190 blz. € 19,90

De vreemde blik. Volgens Herta Müller is dat iets heel anders dan wat critici zo vanzelfsprekend aan haar toeschrijven. Zij bedoelen dat Müller een vreemde kijk op Duitsland heeft omdat ze uit een vreemd land komt, uit Roemenië. Maar volgens Herta Müller zelf krijg je de vreemde blik door je biografie. Je hoeft er geen schrijver voor te zijn en ook geen landverhuizer, je moet alleen maar iets hebben meegemaakt, iets naars. Wie in een strafkamp of in de gevangenis zat, wie in een dictatuur gekweld werd en met de dood bedreigd, die heeft de vreemde blik.

Het staat allemaal in Müllers net vertaalde bundel De koning buigt, de koning moordt en het probleem is dat mensen met de vreemde blik, zoals de auteur zelf, nauwelijks met anderen kunnen communiceren. Herta Müller noemt hen de intacte mensen. Die ergeren zich aan de mensen met de vreemde blik, aan hun nervositeit, hun ernst, hun overspannenheid.

Müller weet het wel: ‘Je moet oppervlakkig kunnen zijn.’ Maar hoe doe je dat als het leven je zo heeft beschadigd? Haar lukt het in elk geval niet, noch in het echt noch in haar literaire werk. Maar anders dan in het echt kan zij in haar werk de intacte mensen wel bereiken. Ze bereikte zelfs het Nobelprijscomité, dat haar in 2009 bekroonde.

Haar angst wist ze over te brengen. En angst ervoer zij in Roemenië haast voortdurend. Omdat ze weigerde voor Ceausescu’s geheime dienst te spioneren, maakte de Securitate jacht op haar. ‘Hier ga je nog spijt van krijgen, we verzuipen je in de rivier’, siste een van de mannen haar toe. Dat het elke dag afgelopen met haar kon zijn, zag zij aan het lot van vrienden. Haar beste vriend werd dood in zijn woning gevonden, opgehangen aan een strop: de geheime dienst ensceneerde moord als zelfmoord. Bij de doodsdreigingen kwamen huiszoekingen, verhoren en Berufsverbote. We konden er al eerder over lezen, in romans als Hartedier en De vos was de jager, maar in De koning buigt, de koning moordt brengt ze opnieuw de intense gemeenheid van het Roemeense regime dichtbij.

Onschuldige woorden krijgen een dreigende lading. Het woordje ‘haar’ bijvoorbeeld. Het verandert in een alarmsignaal als Müllers huis weer eens overhoop gehaald is door de geheime dienst. Ligt een haar die ze expres op een deurklink had gelegd bij thuiskomst niet op z’n plaats, dan weet ze wie er in haar afwezigheid langs is geweest. Herta Müller noemt dat gevaarlijk maken van gewone woorden ‘betoverde logica’ en het resultaat is een ‘poëtische schok’. Omdat de dingen hun normaliteit is ontnomen, gaan ze rondspoken. Ze vormen allianties met andere dingen en zo overbruggen zij plaatsen en tijden. Of, zoals de auteur het retorisch formuleert: ‘Kun je zeggen dat juist de kleinste voorwerpen de dingen samenbinden die in het leven het verst van elkaar staan?’

Wat vooral met elkaar verbonden wordt, dat is de dictatuur met het dorp. Het dorp in de Zwabische Banaat, op Roemeens grondgebied, waar Müller opgroeide. Ze moest er koeien hoeden. Een meisje, heel alleen. Ook toen al nam de angst bezit van haar, een vage angst nog, ongegrond. Voor het zwijgende maïsveld deinst het kind terug. Voor haar zwijgzame familie ook. Alle volwassenen in haar familie dragen een geheim met zich mee. Haar grootvader lijdt omdat zijn bedrijf door de communisten werd onteigend. Haar grootmoeder rouwt om haar in de oorlog gesneuvelde zoon. Haar vader drinkt omdat hij als SS’er te veel zag. En haar moeder doet haar best om geen woord aan haar ontberingen in een Russisch strafkamp te verliezen.

Ze onderwerpen zich allemaal aan de stompzinnige handelingen van alledag. In stilte rebelleert Herta tegen die dwang, waar nooit eens van wordt afgeweken. Daarbij voelt ze de druk van de schuld. Want na de oorlog gaat de nazi-vriendelijkheid van de Duitstalige minderheid in Roemenië naadloos over in beklemmend Duits-nationalisme en zo krijgt Herta al vroeg een afkeer van het woord ‘vaderland’.

Ook Duitsland, waar ze in 1987 naartoe vlucht, beschouwt ze niet als haar Heimat. De eerste jaren na haar vlucht is ze zelfs daar niet veilig. Ze krijgt bezoek van een spion: haar Roemeense hartsvriendin is door de Securitate op haar afgestuurd om haar uit te horen. Het schrijven geneest haar niet, dat weet ze. Maar het kan begrip wekken voor de mensen met de vreemde blik, waar dan ook ter wereld. Omdat haar essays eerder verhalen zijn dan theoretische overwegingen bereikt ze haar doel: bij elke zin schrikt de lezer zich een ongeluk.