De liefde is anti... alles!

Een man die zijn zoon met een bonendieet tot iets groots wil boetseren, een personage dat zijn schepper toestemming vraagt om er een eind aan te maken. Ger Groot laaft zich aan Miguel de Unamuno.

Miguel de Unamuno: Liefde en pedagogiek. Vertaling en nawoord door Bart Peperkamp. Menken Kasander & Wigman, 251 blz. € 22,50

Miguel de Unamuno: Nevel. Vertaling en nawoord door Bart Peperkamp. Menken Kasander & Wigman, 276 blz. € 22,50

‘Het proces van het leven loopt ten einde; het cyanogeen of biogeen gas verliest knallend zijn vermogen om te exploderen en verandert in dode albumine. Welke biochemische processen worden hier gestaafd?’ Zo orakelt de van wetenschap bezeten Avito Carrascal in de roman Liefde en pedagogiek van de Spaanse schrijver Miguel de Unamuno (1864-1936) aan het doodsbed van zijn dochtertje Rosa. De rest van het gezin luistert verbijsterd toe wanneer het meisje nog één keer reutelt en de vader onverstoorbaar doorzwatelt: ‘Eigenlijk herinner ik me de fysiologische verklaring voor het gereutel niet zo goed.’

Geen vader van vlees en bloed zal zo spreken wanneer zijn dochter de laatste adem uitblaast. Maar in Liefde en pedagogiek streefde Unamuno niet in de eerste plaats naar de beschrijving van realistische scènes en levensechte karakters. Hij wilde een idee tot uitdrukking brengen dat hem zwaar op het hart lag.

Het overdreven geloof in de wetenschap dat de zojuist begonnen 20ste eeuw van de voorafgaande geërfd had, zag Unamuno als een ernstige bedreiging voor wat een volwaardig menselijk leven moest zijn. Die aberratie kreeg gestalte in Avito Carrascal, die niet ‘zout’ maar ‘NaCl’ op het zoutvaatje zette, de dood van dochter met koele observatie analyseerde en zijn zoon Apolodoro tot een genie dacht op te voeden door een zorgvuldig uitgekiend programma van geestelijk en lichamelijk voedsel. Vooral bonen moest hij krijgen (‘fosfor, veel fosfor’) en weinig liefde, want die – aldus Carrascal – ‘ligt altijd dwars bij grote ondernemingen… De liefde is antipedagogisch, antisociologisch, antiwetenschappelijk, anti… alles.’

Uiteraard gaat het mis met Apolodoro, die zich – volkomen ongeschikt voor het ware leven – ten slotte verhangt, en met Avito Carrascal zelf, die pas in de volgende roman van Unamuno de les van zijn dwaasheid geleerd blijkt te hebben. Niet mis gaat het met de roman zelf, en dat mag een wonder heten, want ideeënromans zijn over het algemeen geen gelukkig lot beschoren. Ze raken gemakkelijk uit het lood onder het gewicht van de gedachten die ze tot uitdrukking moeten brengen en die ook alle leven persen uit de personages die hen moeten belichamen.

Unamuno ontsnapt niet aan dat gevaar, maar daar staat in Liefde en pedagogiek veel literair vernuft tegenover. Hij neemt de kritiek de wind uit de zeilen door het boek te laten voorafgaan door een voorwoord waarin precies deze bezwaren tegen de roman worden ingebracht. De naamloze inleider geeft de schrijver Unamuno er flink van langs wegens de publicatie van dit boek ‘dat, we herhalen het nog eens, een betreurenswaardige, een uitermate betreurenswaardige vergissing is’.

Aldus ontwapend begint de lezer aan een roman die vervolgens veel te kort blijkt uit te vallen. Niet in de ogen van de lezer zelf, en ook niet in die van de schrijver, maar in die van de oorspronkelijke uitgever, zo is in het voorwoord al aangekondigd. En dus schrijft Unamuno er nog een uitgebreid nawoord bij, waarin hij zo’n zestig bladzijden lang het soort subliem geouwehoer produceert dat pas veel later in de literatuur brede ingang zou vinden.

Unamuno verdedigt er achtereenvolgens in dat kunst handel is, dat logica sterk wordt overschat, dat de schrijver niet zijn personages tot leven wekt maar veeleer omgekeerd, en ten slotte dat er schreeuwend behoefte is aan een wetenschappelijke verhandeling over het vouwen van papieren vogeltjes – waarvan hij vervolgens een hilarische eerste opzet geeft. Totdat ten slotte de benodigde hoeveelheid pagina’s is vol geschreven en Unamuno er abrupt een punt achter mag zetten.

Met Liefde en pedagogiek sloeg Unamuno niet alleen in de Spaanse literatuur een nieuwe weg in, maar ook in zijn eigen oeuvre. Eerder debuteerde hij met een nogal traditionele roman over de beruchte Carlistenoorlogen (Vrede in oorlogstijd), maar nu, in 1902, combineerde hij essayistiek met het verhalende genre tot wat hij zelf een nívola, een ‘nevelle’ noemde. Geen ‘roman’: zijn critici gunde hij graag hun mening dat hij niet wist hoe hij die schrijven moest. Een ‘nevelle’ was een mijmerend of zelfs filosofisch verhaal met veel dialogen en een onvoorspelbaar plot, waarin werkelijkheid en fictie op een doorzichtige wijze met elkaar werden verweven.

Veel waardering kreeg deze eerbiedwaardige hoogleraar Grieks aan de zo mogelijk nóg eerbiedwaardiger Universiteit van Salamanca daar aanvankelijk niet voor. Daarom duurde het een jaar of vijf voordat Unamuno een nieuwe ‘nevelle’ voltooid had, en nog eens zeven jaar voordat hij die durfde te publiceren. Maar Nevel, dat in 1914 verscheen, had een veel groter succes. Misschien doordat de karakters in dit boek net iets minder schematisch zijn (al komen we er opnieuw de inmiddels ‘genezen’ Avito Carrascal in tegen). Maar vooral omdat Unamuno fictie en werkelijkheid nog duizelingwekkender door elkaar heen laat lopen. Zijn eerdere terloopse opmerking dat de personages die in het hoofd van de schrijver gestalte krijgen misschien wel echter zijn dan de schrijver zelf, wordt hier tot aan het einde toe beproefd.

Zo experimenteel lijkt het er in Nevel aanvankelijk niet aan toe te gaan. Het leven- en liefdesverhaal van de jonge Augusto Pérez, die op een goede dag besluit verliefd te worden, begint zelfs uitgesproken bedaagd. Op straat betoverd door een paar mooie ogen, zet hij zijn veroveringstocht in op de eigenaresse daarvan, die hem uiteindelijk een blauwtje laat lopen. Augusto, nauwelijks beter tegen het leven opgewassen dan Apolodoro, overweegt zelfmoord – maar kan hij die eigenlijk wel plegen? Is het niet de schrijver van de ‘nevelle’ die daarover alle zeggenschap heeft? ‘Om er achter te komen hoe echt hij zelf is, en dus ook hoe het er met zijn eigen vrije wil voorstaat’, besluit Augusto op bezoek te gaan bij Unamuno in persoon, hoogleraar Grieks te Salamanca.

De dialoog die zich vervolgens ontvouwt tussen de schrijver en zijn schepsel, behoort tot de intrigerendste die de Spaanse literatuur heeft voortgebracht. Hij is waarschijnlijk mede de inspiratiebron geweest van het beroemd geworden Zes personages op zoek naar een auteur , waarin de Italiaanse schrijver Luigi Pirandello in 1921 iets dergelijks uitprobeerde.

Wat is echt in de fictie en wat is fictief in de werkelijkheid? Wat is vrije wil of onsterfelijkheid? Wat betekent ‘bestaan’ eigenlijk? En wat moeten we denken van een God (of een schrijver) die ons leven bestiert, maar die van zijn kant zonder ons niet bestaan kan, of in ieder geval niet zou zijn wie hij was?

In luttele bladzijden werpt Unamuno al die vragen op zonder dat daarop een beslissend antwoord komt. Want als iets een ‘nevelle’ kenmerkt, zo zal de schrijver opmerken, dan is het wel de twijfel die deze teweegbrengt bij de lezer. Pas daardoor wordt hij gedwongen tot nadenken – bijvoorbeeld over de vraag of hij zelf wel bestaat.

Om die twijfel was het Unamuno in heel zijn werk te doen. Dogma’s waren hem een doorn in het oog, om het even of ze uit wetenschappelijke of uit religieuze koker kwamen. Hij verwierp het blinde traditionalisme, maar wantrouwde even hartgrondig een door de staat voorgeschreven progressiviteit. Wegens zijn verzet tegen de Spaanse dictator Primo de Rivera werd hij enkele jaren verbannen, maar niettemin voelde hij in 1936 wel enige sympathie voor de opstand van Franco tegen de Republiek, waarvan hij het radicalisme vreesde. Toen het franquisme na het uitbreken van de Burgeroorlog nog veel erger bleek te zijn, trok hij haastig zijn steun in en keerde zich scherp en moedig tegen Franco’s nationalisten. Lang heeft dat niet geduurd. Ontslagen als rector van de universiteit en veroordeeld tot huisarrest, stierf hij in december van datzelfde jaar.

In de laatste tientallen jaren van zijn leven was Unamuno naast Ortega y Gasset waarschijnlijk de belangrijkste intellectuele stem in Spanje. Hij was alomtegenwoordig in de pers, schreef toneel en poëzie, publiceerde filosofische essays en zou na Nevel nog twee grote romans schrijven, die eveneens binnenkort zullen worden vertaald, alsmede de novelle San Manuel Bueno die een paar jaar geleden al in het Nederlands is verschenen. Van zijn belangrijkste werken wacht dan alleen zijn filosofische verhandeling Over het tragische levensgevoel nog op een Nederlandse uitgave.

Zo’n honderd jaar na dato blijkt Unamuno nog altijd een intrigerende stem en een feest om te lezen. Niet alleen omdat de sciëntistische naïviteit van Avito Carrascal in nauwelijks verhulde vorm blijft rondwaren en omdat het vraagstuk van de vrije wil belangrijk genoeg wordt geacht om de komende jaren het centrale thema te zijn bij het eindexamen filosofie voor de middelbare school. Maar ook omdat deze vroege existentialist, ergens halverwege Kierkegaard en Sartre, zijn levensvragen doorspekt met de grootst mogelijke zelfspot.

Nauwelijks verhuld voert Unamuno in Liefde en pedagogiek zichzelf ten tonele als de nogal naïeve en besluiteloze filosoof Fulgencio Entrambosmares (letterlijk: ‘tussen twee zeeën’), die altijd van alle zaken de voors én de tegens wil zien. En in Nevel vinden we zijn ijveren voor een radicale spellingshervorming geparodieerd in de komische anarchist Fermín, die zich tegenover Augusto Pérez haastig een ‘spirituele’ anarchist noemt, die dus geen bommen gooit en zelfs geen vlees eet. Maar wel strijdt hij fel voor de afschaffing van de ‘h’, die in het Spaans tenslotte niet wordt uitgesproken. ‘Weg met het gezag’, zo laat Unamuno hem uitroepen. ‘Weg met de vuige materie en met de dood! Weg met het vlees! En weg met de h!’