Botsen tegen regen en wind

En de regen had het op mijn gezicht en mijn handen gemunt, de druppels kropen over mijn wimpers, mijn sokken waren doornat, de wind stak zijn vingers in mijn haar, maar ik kon me er niet tegen verzetten. Mijn vader was toen in een uitzonderlijk vrijgevige bui en wilde mijn eerste dag in het nieuwe land bekronen met de aankoop van een fiets.

In een smalle straat, waar de wind wonderlijk genoeg geen toegang had, probeerden we verschillende modellen uit. Mijn achterste op een hard zadel, mijn achterste op een zacht zadel, mijn achterste op een nat zadel, mijn handen op een ijskoud stuur, mijn voeten gesteund op pedalen, in weerwil van de wind die zou verschijnen, die is verschenen, die me afranselt – ach, hoeveel fietsen zijn er sindsdien door mijn leven gegaan, hoeveel zweet hebben mijn kleren daardoor geabsorbeerd...

En als ik mijn ogen sluit en me een dag, de eerste dag, een bepaalde dag, die dag, een gewone dag in mijn nieuwe leven wil herinneren, herinner ik me een fiets die onder mij voort- en voortjaagt, botst tegen de regen, botst tegen de wind, mij de tijd in draagt, mij naar het bekende en het onbekende draagt, naar het doel dat altijd wordt bereikt, en verder, nog veel verder, tot het oneindige en daarachter, al het andere veranderend in triviale vergankelijkheid...

Ja, mijn verre vader van lang geleden, die nu al bijna onwerkelijke vader, heeft alles gedaan om zijn dochter verliefd te laten worden op dit land, waar ze altijd is gebleven. Ik weet niet of ik er ooit verliefd op ben geweest, maar op een dag, die dag, een gewone dag, besefte ik dat ik ervan hield.

Borislav Cicovacki (Sombor, Servië , 1966) studeerde hobo in Novi Sad en bij Han de Vries in Amsterdam, waar hij sinds 1991 woont. Hij publiceerde vijf boeken.