Als iets te blozende wangen

Na vier jaar in Nederland weet ik dat het hier voelt als een ijskoude huid en een warm rapport, als dagelijkse discipline, maar ook als zomervakantie. Ik voel de deiningen van die grote boot die vertrekt uit Harlingen en het kraken van de slingerende schelpenpaden in de duinen van Terschelling. Als de zachte wind die onder mijn huid kruipt in de duinpannen en de doordringende geuren van hei en lavendel die aan mijn buik blijven plakken.

Het voelt als zonnige brede stranden waar ik maanden bloot rond kan lopen. En als de hobbelende huifkar op de Wadden, de deinende paardebillen om op te zitten of naar te staren. Het is het warme haardvuur binnen of een knapperig kampvuur buiten.

Het voelt als hoestend verhuizen naar een grotere zolderkamer, die nog verder weg is van de tuin en geen wortels in de grond heeft. Hard nadenken voel ik hier ook, omdat het me wat moet schelen dat ik kleren op de grond laat liggen en mijn haar niet heb gewassen.

Het voelt als iets te blozende wangen en als de asem die terugkomt als ik in een wollen sjaal loopt te zuchten. Als een dun vliesje kou tussen mij en de hand die mijn wang aanraakt. Het ademt als mijn samengeknepen longen die zoeken naar verloren warme luchten.

Als het sneeuwt, is Nederland opeens Afrika. Omdat alle stoepranden wegvallen, de witte grond eeuwig doorloopt tussen de huizen. Omdat de straten en pleinen je omhelzen in de warmte van een alles verbindende deken. Omdat iedereen samenvalt met de gedempte geluiden en de hele wereld eindelijk fluistert. Omdat in de sneeuw alle mensen lachen en niemand meer haast heeft.

Monica de Ruiter (1971) groeide op in Indonesië en Gabon (West-Afrika). Ze werkt als journalist, schrijver en dichter.