'Alleen Britten zal ik nooit begrijpen'

De Canadees Doug Saunders schreef een positief boek over megasteden en migranten als ‘de middenklasse van de toekomst’. „Ik had genoeg van alarmistische verhalen,” zegt hij tegen Maartje Somers.

Amsterdam 14-12-2010 Doug Saunders Foto NRC H'Blad Maurice Boyer

Zelf is Doug Saunders, correspondent Europa voor de Canadese krant The Globe and Mail, na zes jaar in Londen allerminst geïntegreerd. „Mijn linkerburen zijn half Frans, half Cypriotisch. Vanaf dag één liepen ze bij me naar binnen en trokken de ijskast open als ze toevallig trek hadden. Mijn rechterbuurman is een Brit, een aardige man, een keurige econoom. Pas na twee jaar stond hij bij me op de stoep, met de mededeling dat hij een feestje gaf. Ik riep al ‘Wat leuk! Dank je wel!’, toen ik me realiseerde dat hij me helemaal niet uitnodigde. Hij wilde me alleen waarschuwen tegen de overlast. Nooit, nooit zal ik de Britten begrijpen.”

Maar natuurlijk, geeft hij toe, een hoogopgeleide kenniswerker uit de westerse wereld is geen migrant in de wezenlijke betekenis van dat woord. Saunders, een Canadese journalist, is een expat – de wereld ligt voor hem open, zijn werkgever staat voor hem garant. Gewone migranten moeten zelf een plek in hun nieuwe stad veroveren, met alleen een netwerk van familie om, als ze geluk hebben, op terug te vallen. Over al deze niet-expats, binnen en buitenlandse migranten die hun geluk zoeken in de grote stad, gaat zijn boek Arrival City, onlangs in vertaling uitgekomen als De trek naar de stad.

„Ik had genoeg van alarmisme. Ik wilde een positief boek schrijven over twee ontwikkelingen die de vroege 21ste eeuw bepalen: verstedelijking en migratie,” zegt Saunders, een in onopvallend pak gestoken man die net zo goed een dertiger als een veertiger zou kunnen zijn (maar hij is van ’67). Ik spreek hem op een ijskoude ochtend in een café aan een Amsterdamse kade waar vroeger migranten naar de Oost vertrokken, heel toepasselijk. Met De trek naar de stad blaast Saunders een term uit de aardrijkskundeles nieuw leven in: urbanisatie. Deze duizelingwekkende historische ontwikkeling nadert zijn voltooiing: sinds 2008 zijn er meer stedelingen dan plattelanders, de toekomst is aan de metropool.

Saunders neemt de lezer mee op een tocht door migrantenwijken, sloppen, favela's, shantytowns en bidonvilles in 20 landen. In plaats van hun buitenwijken te negeren of weg te bulldozeren, zouden stadsbesturen het immigranten makkelijker moeten maken aan te haken bij de maatschappij, stelt hij.

Niet bepaald een populaire boodschap in deze tijd. Anti-immigratiepartijen scoren overal.

„Ik pleit niet voor ongelimiteerde immigratie. Het kan heel zinnig zijn immigratie tijdelijk stevig tegen te gaan, als de absorptie zijn grens heeft bereikt, daarin geef ik Sarkozy, Cameron en ook de Nederlandse regering gelijk. Maar dat is iets anders dan immigratie per definitie afwijzen. De toekomst is juist aan meer immigratie, en meer mobiliteit.”

Saunders is in Canada een redelijk bekend journalist (hij won vier keer de National Newspaper Award, het Canadese equivalent van de Pulitzer). Een van de interessante kanten aan zijn boek is hoe weinig Canadees het is. Saunders lijkt net zoveel te weten van de wijk Tower Hamlets in Londen als van Biswanath in Bangladesh, en zich net zo op zijn gemak te voelen in Kibera bij Nairobi als in Thorncliffe Park in Toronto. Op alle continenten blijken verse migranten het best af als ze zonder veel problemen een handeltje kunnen opzetten. Als de bebouwing dicht is, zodat ze niet opgesloten zitten in hoogbouw waarin je geen cafeetje of belwinkel kunt beginnen. Als samenlevingen niet te formalistisch zijn, maar zelfredzaamheid en ondernemerschap aanmoedigen, en misdaadbestrijding combineren met sociale programma’s.

Uw boek beschrijft niet alleen mondiale ontwikkelingen, het is ook zelf een mondiaal boek. Hoe komt dat ?

Saunders grijnst. „Door mijn gemakzuchtige manier van werken, misschien. Maar serieus. Ik koos en onderzocht de wijken waarover ik wilde schrijven met behulp van onderzoekers. Geen mensen van ngo's of andere deskundigen met een vooropgezette visie, maar mensen met een goede blik en oog voor detail, vaak documentairemakers. Zij verzamelden gegevens voor me, zwierven rond in een wijk en zochten gesprekspartners voor me uit. Vervolgens kwam ik, om interviews te houden en de sfeer op te snuiven.”

U beschrijft 28 sloppen- en migrantenwijken. Maar er moet er één geweest zijn waardoor u op dit idee kwam. Welke was dat?

„Als er een Eureka-moment was, dan was dat mijn tocht naar Istanbul in 2006. Ik kende alleen het Istanbul van Orhan Pamuk, alleen de plekken waar het internationale nieuws zich afspeelde. Ik las over de groei van Istanbul: 11, 12 miljoen mensen erbij in 30 jaar, een aanwas van gemiddeld 200.000 jaarlijks. Ik vroeg een bevriende documentairemaker om me nu eens te laten zien waar die mensen terecht kwamen.

„Dat begon ik overal te doen. Ik leerde hoe ik mensen moest ondervragen. Ik stel niet de bekende journalistenvraag: wat zijn je problemen. Dan krijg je een vertekend beeld. Ik begon mensen te vragen naar hun huishoudbudget. Hoeveel geld komt er binnen, hoeveel spaar je, hoeveel geef je uit aan huisvesting, voeding? En dan stelde ik ze een nog belangrijker vraag: waar kom je vandaan en wat wil je precies bereiken? Wat is je plan?

„Ik leerde heel veel. Dat in Istanbul de mensen zich op dezelfde manier organiseren, via familie, vrienden en netwerken uit hun dorpen, zoals in Toronto of in Bangladesh. Dat integratie vaak stagneert, maar ook heel snel kan gaan, in één, twee generaties tijd: South Central in Los Angeles is nu Latijns/Amerikaans, vroeger zwart. In Toronto is de Vietnamese wijk dezelfde als die waar vroeger Spanjaarden en Italianen woonden. Er zijn lessen die je daaruit kunt trekken.”

Welke zijn dat?

„Als er mensen in je stad zijn die niet deelnemen aan de economie, dan is dat slecht voor hen, slecht voor hun kinderen en ook erg slecht voor de stad. Stop met over deze mensen na te denken in termen van etniciteit en migratie, en denk in termen van stedelijke ontwikkeling en economische integratie. Zorg vooral voor een getrapte economie, met heel veel treetjes, en veel, liefst ook informele, mogelijkheden voor scholing of ondernemerschap, zodat mensen langzaam kunnen opklimmen.”

Bagatelliseert u cultuurverschillen niet? In uw ogen komen de problemen met radicale moslims in Europa geheel voort uit verkeerd migratiebeleid.

„Maar dat is ook zo! Veel Europese Marokkanen zijn veel religieuzer dan Marokkanen in Marokko! Turken in Berlijns Kreuzberg zijn veel conservatiever dan Turken in de sloppen van Istanbul, zelfs al komen ze uit dezelfde rurale streek! Ik beschrijf uitgebreid hoe Turken in Kreuzberg geen kant op kunnen omdat ze tot voor kort geen staatsburger mochten worden en geen onderneming mochten beginnen. Zelfs de derde generatie immigranten beschouwt zich nog niet als Duits. Dat is wanhopig makend.”

In plaats van over islamitische radicalisering maakt u zich zorgen over de kwaliteit van het stadsbestuur.

„Ja, want dat maakt alles uit. Een goed stadsbestuur dat veel macht heeft, liefst ook zelf belastingen kan heffen zoals in Londen, kan een wijk maken of breken. Geldgebrek is natuurlijk een oorzaak van slecht beleid. Maar tegenwoordig komt dat ook minstens zo vaak door corruptie en versnippering. Een van de redenen dat de situatie in Mumbai zo verschrikkelijk is, is de corruptie daar: allerlei maffia-achtige bestuurslaagjes met hun eigen bevoegdheden die elkaar in de weg zitten.”

Wat is de ergste stad die u bezocht?

„Mijn boek gaat niet over oorlog, dus door oorlog verscheurde steden als Mogadishu, of Congolese steden heb ik niet bezocht. Misschien wel Teheran. Daar gaat niemand dood van de honger, maar de stagnatie en onvrijheid zijn er zo triest. Of Kabul, Afghanistan. In de jaren zeventig had je daar een middenklasse. Die woont nu in zijn geheel in San Francisco.”

In uw pleidooien voor kleinschaligheid bent u erg schatplichtig aan het klassieke boek over stadsvernieuwing van Jane Jacobs, ‘The Death and Life of Great American Cities’ uit 1961, dat u ook vaak aanhaalt.

„Zeker, maar haar ideeën stopten bij de binnenstad. Ik wilde haar ideeën toepassen op de buitenwijken, de ring van sloppen en migrantenwijken die elke stad over een paar decennia zal omgeven. Zie mij dus maar als de Jane Jacobs van de buitenwijken.”

U bejubelt het individueel ondernemerschap van migranten. Tegelijk pleit u voor een sterke overheid. Waar staat u, politiek gezien? Bent u nog van de Derde Weg?

„Ik ben inderdaad tegen pure laissez-faire, maar ik zie ook niets in een overtrokken verzorgingsstaat en het tot apathie pamperen van migranten. Stadsbesturen moeten de mogelijkheden zien van kleinschalige handel door migranten. Zie het Londense Brick Lane, dat nu een toeristenbestemming is. In mijn boek schrijf ik dat er al veel gewonnen zou zijn als krachtige stadsbesturen beleid zouden richten op wat er gebéurt, niet op een utopische visie, op wat er zou móeten gebeuren. Ik ben nog het meest van het Scandinavische model, waar het bedrijfsleven vrij baan krijgt, maar waar de overheid activistisch kan zijn doordat zij flinke belastingen heft. En ik begrijp niets van rechts-populisten die migratie per definitie willen weren. Migranten op zoek naar een beter leven – het is het meest basale kapitalistische verschijnsel ter wereld. Als politicus in een kapitalistische democratie kun je daar gewoon niet tegen zijn.”

Doug Saunders: De trek naar de stad. Vertaling van Arrival City, door Guus Houtzager. De Bezige Bij, 416 blz. € 29,90